Het vliegtuig van Charles Nungesser en François Coli werd het laatst op het continent gezien op 8 mei 1927, toen het over het strand van Etretat vloog, westwaarts, op weg naar New York.
Beide veteranen van de eerste wereldoorlog stegen die dag op van Le Bourget in Parijs. Hun vliegtuig werd het laatst opgemerkt boven Ierland.
Twee weken later zou Charles Lindbergh in zijn Spirit of Saint Louis de eerste succesvolle vlucht maken, in de omgekeerde richting, van New York naar Parijs.
Het verdwijnen van L’Oiseau Blanc, zoals het vliegtuig heette, was een groot mysterie, en men ging ervan uit dat het ergens, eens, neerstortte in de Atlantische Oceaan. Nu vermoedt men dat beide piloten wel degelijk Newfoundland (mogelijk de eilanden Saint-Pierre-et-Miquelon) bereikten, of misschien wel neerstortten in Maine.
Toen de Duitsers later Frankrijk bezetten, bliezen ze – in 1942 – het gedenkteken voor beide Franse piloten op. De portretten van Nungesser en Coli werden na de oorlog gerecupereerd, en geplaatst op een muur van keien en kiezels. De man met de monocle is François Coli. Hij verloor zijn rechteroog toen hij in 1918 na een missie met zijn vliegtuig tegen een hangar botste.
Eens, heel lang geleden, kreeg ik een subtiel verwijt naar mijn hoofd geslingerd. Er waren luxepaarden, en er waren werkpaarden. Mensen die nadachten en schreven, en anderen, die de handen uit de mouwen staken. Ik had de hint begrepen, en ik vond het niet fair. Het wàs niet fair. Maar goed, bijna vergeten, zeker vergeven.
De foto van deze paarden dateert van 14 april 2018, ergens tussen Belzele en Evergem. Ik reed er langs, en zag dit groepje paarden. Ik stopte, en ik maakte een enkele foto’s. Een jongetje kwam de paarden wat gras toestoppen.
Maanden later, de lente kwam en ging, en ook de zomer, de korte dagen kondigden de winter al aan, en ik zag een ander werkpaard, traagzaam, treurig, stille en stom, de koude Noordzee instappen, voor zijn garnaalvisser.
En nu, de winter al voor één derde gedaan, voel ik de dagen langer worden, en al is het koud en ligt er sneeuw, de lente komt. Traagzaam.
EENS: 14 april 2018 en 2 november 2018
ERGENS: Belzele en Koksijde
Foto’s: Galaxy S8.
Franssprekend Canada biedt zowel de hippe metropool Montréal als een conservatief hinterland met een schitterende natuur. Van een stad vol hipsters naar ‘le Canada profond’ is maar een paar honderd kilometer, maar je komt er in een andere wereld.
Beide zijn, op hun manier, indrukwekkend voor iemand van het oude continent die naar Canada trok om zijn dochter te bezoeken, maar ook om een frisse wind doorheen zijn hoofd te laten waaien.
Montreal is een kosmopolitische stad met een gevarieerde mix aan inwoners en een opvallende laid back atmosfeer. Rij een paar honderd kilometer naar het noorden, en je ruikt er de koemest tussen het natuurschoon van Charlevoix en het fjord van Saguenay. Want tussen de natuurparken door is dit vooral agrarisch gebied, waar in de eerste plaats een heel speciaal Frans wordt gesproken – niet in een lokaal accent, maar veeleer een historisch Frans, zoals het gesproken werd in Frankrijk in de zeventiende eeuw.
Het Québecois
In 1759 vochten de Franse en Engelse legers een korte, maar heftige veldslag uit in de Plaine d’Abraham, net ten zuiden van Québec-stad. Beide bevelhebbers – de Brit James Wolfe en aan Franse kant Louis-Joseph, Marquis de Montcalm, lieten er het leven, maar wat telt is dat de Britten wonnen en dat de Fransen hun Canadese gebieden moest afstaan aan het British Empire. Deze Franstalige gebieden werden afgesneden van hun thuisland, en de taal in deze kleine en vaak geïsoleerde gemeenschappen evolueerde veel minder dan in Frankrijk. Na een tijdje merk je een zekere systematiek in de taal. Woorden worden er veel meer samengetrokken: J’s’tanné (Je suis tanné); de a wordt vaak als o uitgesproken: – J’s’rai pô à’ fête à Laurô (Je ne serai pas à la fête à Laura); er komt een s tussen ‘tu’ en ‘ti’: tsirelire (tirelire); en, het meest opvallend, een z-klank tussen ‘di’ en ‘du: C’est dzur à dzire).
In Montréal leunt de taal nog het meest aan bij het officiële Frans, en er wordt hier ook veel meer Engels gesproken. De meeste Franstaligen beheersen het Engels uitmuntend en accentloos, en ze schakelen vaak moeiteloos van de ene naar de andere taal: Je ne peux pas accepter ça, no way! Engelsen – die officieel een kleine 15 procent van de bevolking uitmaken – gedragen zich een beetje zoals vroeger de Franstalige bourgeoisie in Vlaanderen – ze spreken geen woord Frans en gaan ervan uit dat iedereen Engels kan.
Deze slideshow vereist JavaScript.
Koud in mei
Montréal ligt op de vijfenveertigste breedtegraad, ongeveer op dezelfde hoogte als Milaan, maar het klimaat schommelt tussen een gematigd landklimaat en het subarctische klimaat. Dat wil zeggen: mooie maar korte zomers, en koude en winderige winters. Vooral de wind zorgt ervoor dat de gevoelstemperatuur erg laag ligt. De herfst kan dan weer verrassend warm zijn, en veel Québecois vertelden ons dat september de beste maand is om deze streek te bezoeken. Bij aankomst, begin mei, waren alle bomen nog kaal, maar toen we twee weken later vertrokken was de natuur in overdrive geschakeld, en was de Mont Royal, het grote stadsbos van Montréal, één en al groen.
De voorbije winter was barkoud, met temperaturen tot -30 graden. Dan is het goed te weten dat er een cité souterrain bestaat, een ondergrondse stad waar je kunt cruisen van de ene naar de andere shopping mall via de efficiënte en goedkope metro.
Flanders Fields
Net als New York heeft Montréal zeer diverse wijken met een eigen persoonlijkheid. Zo is er Le Vieux Port, die erg Europees aandoet, en die contrasteert met Downtown met zijn modernistische en postmoderne hoogbouw. Lachine is niet de Chinese wijk (die ligt langsheen de Rue Saint Laurent), wél de buurt langs het kanaal waarmee in de negentiende eeuw de stroomversnellingen in de Saint Laurent werden vermeden, en waar het nu heerlijk wandelen en fietsen is. Le Plateau is nu een hippe wijk die wat doet denken aan Brooklyn, vol eettentjes. De uitgangsbuurt is Le Quartier des Spectacles, tussen Rue St Denis en Rue Sainte Cathérine, waar zich ook le Gay Village bevindt. Want Montréal moet zowat dé stad zijn van de holebigemeenschap, die zich duidelijk manifesteert, op een vriendelijke, alternatieve en nooit agressieve manier.
Als ik kijk naar de goedgevulde restaurants denk ik dat iedereen hier uit eten gaat. Eén van deze zaken, Crew Café, is gehuisvest in een indrukwekkend gebouw, eens de Bank of Canada. De hippe gasten zitten hier… wel, hippe dingen te doen op hun vooral iMacs en iPhones, bij een vegetarische hamburger of een gembersoepje . En dan zie ik dit: ‘Men of this bank who gave their lives in the great war’. Ik tel 159 namen. En daarnaast zie ik nog zo een bord, met evenveel namen. Hoe groot moet deze bank niet geweest zijn? En ik zie ze voor mij, de klerken en loketbedienden, jongens van een jaar of 18 die ongetwijfeld dachten op een groot avontuur te vertrekken. Ze kwamen nooit terug van de Flemish Fields en de slachtvelden van de Somme.
(Tekst loopt door onder foto)
Crew Café, eens een grote bank, nu een café/restaurant. Op de muur een driehonderdtal namen van ‘men of this bank who gave their lives’ in The Great War.
Stad van kerken
Montréal werd officieel gesticht in 1642 door een groep vrome katholieken, en heette officieel eerst Ville Marie, de stad van de Maagd Maria. Op deze plaats staat nu de eerste modernistische hoogbouw, ontworpen door de Chinees-Amerikaanse architect I. M. Pei, in Europa bekend en berucht voor zijn piramide in het hart van het Louvre. Het werd gebouwd in het begin van de jaren zestig. Toen de bouwpromotor hoorde dat het in aanbouw zijn de gebouw van La Gauchetière net iets hoger ging worden, beval hij de architecten om in het grootste geheim vier etages toe te voegen. Daar bevindt zich nu het panoramische restaurant Les Enfants Terribles op de vierenveertigste verdieping. Neem de lift, en je komt op het observation deck met een weergaloos zicht op Montréal en de wijde omgeving. En zie je meteen hoe groen deze stad is.
In Montréal staan kerken zonder complexen naast wolkenkrabbers. Mark Twain verklaarde tijdens een lezing dat je in Montreal geen steen kunt gooien zonder het raam van een kerk te raken, en hoewel je voor sommige toch wel heel hard moet gooien, zijn er inderdaad opvallend veel kerken in Montréal. De mooiste zijn de Basilique Notre Dame, op mijn favoriete pleintje (Place d’Armes), de meest intieme zijn La Chapelle de Bon Secours en de kerk van Saint Georges. Bombastisch groot zijn dan weer de Basilique Marie Reine du Monde en het bedevaartsoord van Frère André, het Oratoire Saint Joseph.
(Tekst loopt door onder foto)
Deze slideshow vereist JavaScript.
Le Nord
Op zes uur rijden van Montréal, naar het zuiden, liggen Toronto en de Niagara Falls, maar wij kozen voor een trip naar het noorden, naar de mooie kust van Charlevoix en naar het fabuleuze fjord van Saguenay. Onderweg kun je Québec-stad bezoeken, maar wij kozen voor de natuur. Je kunt immers niet alles zien.
De Côte de Charlevoix – genoemd naar een Franse jezuiet-historicus Pierre François-Xavier de Charlevoix – nestelt zich langs de linkeroever van de Saint-Laurent, die begint aan de grote Amerikaans-Canadese meren en uitmondt in de Atlantische Oceaan. Vanaf Québéc-stad lijkt de Saint-Laurent meer op de zee dan op een rivier. Voor een groot deel slingert de weg zich langs de linkeroever, en dan krijg je prachtige vergezichten onderbroken door lieflijke dorpen en stadjes zoals Baie Saint-Paul en Malbaie, deze laatste zo genoemd (‘slechte baai’) omdat Samuel de Champlain er in 1608 geen goede plaats vond om voor anker te gaan met zijn schip. Zowel Baie Saint Paul als Malbaie zijn uitstekend als uitvalbasis voor de bergen van Charlevoix, ooit zo hoog als de Himalaya, maar door miljoenen jaren erosie blijft alleen maar de kern van het gebergte over, met pieken van amper een duizend meter hoog. Het is hier heerlijk wandelen – twee uitschieters zijn een tocht naar de Mont du Lac des Cygnes, en een trektocht in de Gorges de Malbaie. In de zomer is de eerste wandeling relatief gemakkelijk, maar midden mei lig er nog pakken sneeuw, waar je vaak tot aan de knieën inschiet en waardoor de wandeling toch nog moeilijk wordt. Onderweg kom je voorbij het wondermooie Lac Georges, dat nu nog gedeeltelijk bevroren was. In de Gorges de Malbaie kun je de als moeilijk bestempelde wandeling ‘Les Draveurs’ doen, maar wij lieten ons afschrikken door het grote hoogteverschil (800 meter) én de sneeuw.
Fjord de Saguenay
Als je wat verder rijdt, kom je op de plaats waar de rivier Saguenay zich stort in de Saint Laurent.
Hier krioelt het van het leven in het water, zowel zoet (Saguenay) als zout (Saint-Laurent), en dat is de reden waarom je hier walvissen aantreft. De kleine, witte beluga’s resideren heel het jaar in de Saguenay, en zijn te bewonderen vanaf de oevers in Sainte Cathérine, in Tadoussac, en meer noorderlijk, in Les Bergeronnes en Escoumins. Wij zagen ze alleen toen we een drie uur durende cruise (70 C$) namen vanuit Tadoussac. De grotere walvissen komen hier de Saint Laurent inzwemmen vanaf midden mei tot oktober; we zagen enkel een paar dwergvinvissen (minke whale, met toch nog een lengte van een achttal meter). Het Centre d’Interpretation des Mammières Marins van Tadoussac biedt een goed inzicht in het leven van de zoogdieren van de zee, waarvan sommige (zoals de beluga’s) met uitsterven bedreigd zijn.
Tadoussac is ook een gezellig dorpje, met het fabuleuze Hotel Tadoussac, de locatie voor de film The Hotel New Hampshire (1984), naar de roman van John Irving. Van hieruit kun je de noordkant van het Fjord de Saguenay bezoeken, met als aanrader Sainte Rose du Fjord.
Aan de zuidkant is Anse Saint-Jean een goede uitvalsbasis, met als hoogtepunt de point de vue Anse de Tabatière. Voor deze plek hoef je geen uren te stappen – je kunt er gewoon met de auto naartoe. Anders is het gesteld met Eternité-Rivière, dat midden mei echter nog niet geopend was. Hier moet krijg je pas een zicht op het fjord na een flink eind stappen.
Het Fjord van Saguanay is een indrukwekkend wonder van verstilling, met zijn steile kliffen en onpeilbaar diep, donker water. Het is maar toegankelijk vanop enkele ‘anses’, of baaien, zoals in Saint-Jean of Sainte Rose du Nord. Als je de weg naar Saguanay neemt, kies dan de noordelijke route vanuit Tadoussac, die loopt doorheen tientallen meren. Ook al krijg je het fjord niet te zien, de weg geeft een goede impressie van hoe ongerept en weids Canada wel is. De mooiste plekjes vind je in het oosten van het fjord, en die zijn, zoals Michelin het steevast zegt: Vaut le voyage!
PRACTISCH
Vliegen op Montreal kun je doen met Air Canada vanuit Zaventem of Parijs. Als je lang genoeg op voorhand boekt, vallen de prijzen reuze mee. Er is ook een lagekostenmaatschappij, Westjet. Wij boekten onze zitjes via Connections.
In Montréal verbleven wij in de hotelschool L’Institut, vlakbij Rue Saint-Denis en Le Plateau. Bijzonder leuk om door zeer ijverige studenten geholpen te worden. Ons tweede verblijf was in de Best Western Plus van Rue Sainte Cathérine, een zakenhotel in de levendige en kleurrijke uitgaansbuurt Le Quartier des Spectacles. De prijzen schommelen sterk afhankelijk van de periode van het jaar.
Baie Saint-Paul is een wat chique gemeente langsheen de kust van Charlevoix. We logeerden er in de B&B La Chouette, die zijn naam niet heeft gestolen. Uitzonderlijk lekker ontbijt met brood gebakken met bloem van de oude watermolen van Les Eboulements.
La Fjordelaise in Anse Saint-Jean is een gîte, waar de gastvrouw ’s avonds heel degelijk kookt, en waar de missie van de echtgenoot erin bestaat om de glazen voortdurend bij te vullen met ijsgekoeld water. Gratis! (Overal krijg je trouwens automatisch gratis kraantjeswater.)
Hotel Tadoussac is een referentie in Tadoussac, met een graspartij die tot aan de zee lijkt te lopen. Je kunt er lekker eten tegen een schappelijke prijs, maar ook restaurant La Bolée is aan te raden.
Alle prijzen zijn exclusief taksen en fooi. Reken voor dat laatste op 15 procent van de rekening vóór belastingen.
Wat we zien, is niet altijd zoals het is. Herman Melville, de auteur van Moby-Dick; or, the whale, schreef over een epische tocht van Captain Ahab, op zoek naar de grote walvis die lang geleden zijn been afbeet. Een barok verhaal van een waanzinnige wraak. Melville zou de inspiratie voor deze Leviathan, dat reusachtig zeemonster, gehaald hebben, niet bij één van zijn vele zeereizen, maar door te kijken naar Mount Greylock, een berg aan de noordoostkust van Amerika, toen hij die zag, gehuld in de nevel. Hij stelde zich de wolken voor als een mysterieuze, schuimende oceaan.
Diezelfde Melville maakte op 5 augustus 1850 een goed georganiseerde trektocht niet ver daar vandaan, in de buurt van Stockbridge, Massachusetts, samen met zijn vriend Nathanial Hawthorne, die ook in 1850 zijn Scarlet Letter publiceerde.
Tijdens de wandeling kenden Melville en Hawthorne elkaar nog niet zo goed; hun vriendschap zou zich pas later ontwikkelen. Een ooggetuige (Cornelius Matthews) die deelnam aan de wandeling, noteerde dat Melville zich tijdens de tocht een zeeman waande: “Melville was intoxicated with the height and certainly fancying himself among the whalers of the Pacific, for he perches himself astride a jutting rock, like a bowsprit.”
Melville was in februari van dat jaar beginnen schrijven aan Moby-Dick, en het jaar nadien, in 1851, verscheen het dikke boek, eerst in Engeland, maar het boek werd slecht onthaald.
Daar stond ik dan, in 2018, precies waar Hawthorne en Melville samen op stap gingen, beiden tegelijk schrijvend aan een boek waarin wraak centraal stond.
Ikzelf was extra vroeg opgestaan. We logeerden in The Briarcliff Motel, en mijn oudste zoon, wiens tijdelijke bestemming Harvard was, trok met me op, in de voetsporen van Melville en Hawthorne. De foto’s bewijzen het: de mist verandert het landschap inderdaad in een mysterieuze oceaan.
Deze slideshow vereist JavaScript.
EENS: 16 juli 2018
ERGENS: Monument Mountain, Great Barrington, Massachusetts.
Foto’s: Galaxy S8.
Eens, in 1984. Ergens, het Griekse eiland Santorini. Een jonggehuwd stel meert hier aan, met de veerboot van Kreta, en onderweg naar Mykonos. Backpackers op huwelijksreis; logeren bij locals die de reizigers staan op te wachten in de haven. ‘Rooms? Rooms? Follow me!’
Foto’s maakte ik toen nog met een filmrolletje. Ilford voor zwart/wit; Ektachrome of Fujifilm voor de diapositieven. Over elke foto dacht je na – is het wel de moeite? Sluitertijd en diafragma goed ingesteld? Want elke foto kostte geld, en de hoeveelheid filmrolletjes dat je mee had, was beperkt. En dan thuiskomen, de films laten ontwikkelen, contactafdrukken laten maken, en uitvergroten. Toen had je nog meer geduld nodig als amateurfotograaf.
Ik merk dat de foto wat korrelig is. Vermoedelijk 400 ASA. De plaats is het centrale plein van Santorini. Er waren al toeristen, maar lang niet zoveel als vandaag. Enkele jaren geleden waren we hier terug, en het pleintje voor Hotel Atlantis wemelde van het volk.
Toen, in 1984, kon deze plaatselijke bewoner er nog rustig kuieren. Ik beeld me in dat hij zich toen al de ogen uitkeek, al die hippe toeristen, op zijn prachtig eiland. De kans dat hij nog leeft, is klein, maar wat zou hij er nu van denken?
3600 jaar geleden deed zich op het eiland Thera (Fira, sinds de Venetiaanse tijd ook Santorini geheten), in de cycladen, een vulkaanuitbarsting voor, met een vulkanische-explosiviteitsindex van 6 of 7, wat betekent dat er naar schatting 60 of 70 kubieke km aan magma vrijkwam. Het was één van de grootste uitbarstingen die ooit in de geschiedenis zijn vastgesteld.
Door de uitbarsting en de daarop volgende tsunami werd Santorini verwoest, en een klein kuststadje Akrotiri verdween onder een dikke laag puimsteen. Hetzelfde gebeurde met het paleizencomplex van Knossos op Kreta, het centrum van de Minoïsche beschaving, die hierna verdween. Sommige archeologen brengen de ramp van 1600 vC in verband met de exodus en Mozes die de zee in tweeën spleet. Anderen menen dat het Atlantis waar Plato het over had, zich hier bevond, maar ik meen dat dit een fabeltje is. Volgens Plato bevond Atlantis zich voorbij de zuilen van Hercules, dus voorbij de straat van Gibraltar.
There is nothing so bad you cannot find something good in it, zeggen de Engelsen, en de uitbarsting van zovele eeuwen geleden is nu een zegen voor het toerisme in de Cycladen.
Deze slideshow vereist JavaScript.
EENS: 1984
ERGENS: Santorini
Pentax K1000, Ilford-film. Gedigitaliseerd op basis van het gescande 24×36-negatief.
30 jaar later
Hieronder twee foto’s, dertig jaar later genomen, dezelfde locatie: Santorini. Digitaal en omgezet naar zwart/wit. Met een archaïsche selfie.
“Fotografie is het herkennen, in een fractie van een seconde, van het belang van een gebeurtenis alsook het herkennen van de exacte organisatie van vormen die de gebeurtenis het beste uitdrukken.” Henri Cartier-Bresson (1908-2004) kon het weten; hij was immers de man die het had over ‘le moment décicif’, het beslissende moment, een dramatisch hoogtepunt, dat plaats vindt in deze ene, beslissende seconde waarin een foto genomen wordt. Of precieser; ergens tussen één dertigste en één duizendste van een seconde, afhankelijk van de instelling van de camera.
Op 5 augustus liep ik met mijn gezin in in New York City. Tussen de hitte en de drukte van Midtown maanden ineens Jezus, en de tekst uit Mattheus 11:28, me aan om even te stoppen:
“Come to me all you that labor and are burdened, and I will give you rest.”
Het leek me toepasselijk voor New York City, het symbool van een stad die de mensen opneemt die verlangen naar vrijheid – Give me your tired, your poor, your huddled masses yearning to breathe free.
Het was heet, die zomerdag in augustus, en in New York lijkt het ‘s zomers wel altijd bloedheet te zijn. Een Jesus die de mensen rust belooft in het drukke New York, dàt wou ik fotograferen, dus nam ik enkele verkeersborden mee in de compositie.
Pas nadien zag ik wat er op stond, op die borden, op de foto. “No standing” op schooldagen tussen zeven uur ‘s morgens en zes uur ‘s avonds. Achteraf moet men gedacht hebben dat dat nog niet genoeg was, want een groter bord maande aan: NO STANDING ANYTIME.
Jesus negeert, zoals het hoort, de wetten van de mensen. Wat de foto betreft: le moment décicif, of toeval? Ik denk dat Jezus het toeval zou uitsluiten, ikzelf ben bescheidener, en hou het bij een lucky shot.
EENS: 1 augustus 2018
ERGENS: New York City, ergens in Midtown
Galaxy S8
Het Concert, van Vermeer, gestolen in 1990. Op de achtergrond Rembrandt – A portrait of the Artist as a Young Man.
Het is bijzonder vreemd als je in een museum naar een leeg schilderijkader kijkt. Het enige wat je ziet is jezelf, de fotograaf, weerspiegeld in het glas. Wat verderop, een nog groter schilderijkader, met onderaan de aanduiding: “Rembrandt”. En je ziet alleen maar het behangpapier achter het lege kader.
Het museum herbergt de eclectische verzameling van één vrouw: Isabella Stewart Gardner. Dankzij de aanzienlijke erfenis van haar vader begint ze kunst te kopen, en als ze een portret van Rembrandt – een zelfportret als jongeman – op de kop tikt, begint ze te denken dat haar collectie wel eens een museum zou kunnen worden. En dat gebeurt vlak voor de eeuwwisseling. Het museum, geïnspireerd op een Venetiaans palazzo, opent de deuren in 1903 in Boston.
Het is één van de mooiste musea die ik ooit zag – huiselijk, met mooi, gedempt licht, en een weergaloze collectie.
Isabelle Stewart Gardner moet een bijzondere vrouw geweest zijn. In 1892 kocht ze op een Parijse veiling Het Concert van Vermeer. En ze bleef maar kunst kopen. Ze werd zelf ook geschilderd door John Singer Sargent, maar het is een schilderij van Anders Zorn van 1896 dat haar, zo verbeeld ik me toch, goed typeert. Ze gooit een porte-fenêtre open die uitgeeft op een Venetiaans balkon; ze komt van buiten naar binnen. Ze maant haar gasten aan om naar het vuurwerk te komen kijken.
Eén van de bekendste schilderijen is De roof van Europa door Titiaan, maar het museum is nu ook bekend voor een andere roof – wellicht de grootste kunstroof aller tijden.
In de nacht van 18 maart 1990 brak een stel als politieagenten vermomde mannen het museum binnen. Er werden 13 belangrijke werken ontvreemd – drie Rembrandts (maar niet zijn zelfportret), Het concert van Vermeer, en werken van Manet en Degas.
In 2013 liet de politie weten de identiteit van de daders te kennen, maar de kunstwerken zijn nog altijd niet terecht.
Isabella Stewart Gardner liet in haar testament opnemen dat haar collectie en de opstelling van het museum onder geen beding mochten gewijzigd worden. Sinds de roof in 1990 hangen de lege lijsten op hun oorspronkelijke plaats. Je vindt er wel een korte beschrijving zoals: ‘Degas, La Sortie du Pesage. Pencil and watercolor on paper.
STOLEN, MARCH 18, 1990’.
Het museum is gratis voor iedereen met de naam Isabelle/Isabella, en voor wie jarig is op de dag van het bezoek.
EENS: 22 juli 2018
ERGENS: Isabella Stewart Gardner Museum, 25 Evans Way Boston, Massachusetts
Galaxy S8, 1/10 seconds; F 1.70