Er was een luide, doffe knal tegen het raam, en ik zag een vogel wegvliegen. Oef, dacht ik, die vloog tegen het raam, maar overleefde het. Toen ik ging kijken, zag ik echter een slachtoffer op de grond liggen. Ze moeten met twee geweest zijn, misschien zat de ene vogel de andere achterna. Wat me opviel, was een plasje bloed. Karmijnrood.
Het was een zanglijster, wist mijn vrouw me te vertellen. Gemiddeld worden ze vijf jaar.
Arthur, Noah en Adam. Dat zijn momenteel de meest voorkomende voornamen. Vijfentwintig jaar geleden stond Thomas bovenaan het lijstje, maar na enig aarzelen en zelfs te elfder ure hebben we onze zoon niet Thomas, maar Jan genoemd. Het is een wat onhebbelijke karaktertrek van mij: een zekere argwaan tegen alles wat populair is. Maar toch: ook Thomas is een mooie naam. Hij verwijst naar hij die gelooft zonder te zien, maar dat strookt dan weer niet met mijn overtuiging. Dus Thomas werd zijn tweede voornaam. En de derde, dat werd Petrus.
Ik hou van voornamen die generaties lang meegaan, schreef Benno Barnard in zijn Dagboek van een Landjonker. Petrus moet honderd jaar geleden de meest voorkomende voornaam geweest zijn, als ik kijk naar de naamplaatjes van de oud-strijders, hier op het kerkhof. Een jaar of veertig hebben hun graven standgehouden, maar dit jaar moesten ze plaats maken, want ‘Het sceen teen moeste ghestorven sijn’. Als ik even een regel uit het Egidiuslied vrij mag vertalen: er wordt nu eenmaal gestorven. Het kerkhof heeft ruimte nodig, dus werden de graven geruimd, en wat er overbleef van de oud-strijders verdween in een put waar een monument op kwam. Met naambordjes. Naar goede Vlaamse gewoonte eerst de achternaam, dan de voornaam.
De laatste in het rijtje is mijn grootvader. Twintig jaar toen de oorlog uitbrak, en al snel gepromoveerd tot vuurkruiser.
Elk jaar komt het terug, met een zekerheid zoals na elke winter wel de lente komt: de wijnaanbiedingen ‘in primeur’. Je bestelt, en betaalt wijnen op het moment dat ze nog niet gebotteld zijn. Loont dat (nog) de moeite?
Grande année, petit château
Ik neem even de proef op de som, met een ‘petit château’ in Haut-Médoc dat mij na aan het hart ligt. In de gouden wonderjaren 1985, 1986, 1988, 1989 en 1990 ging ik voor het eerst op ontdekkingsreis in de bordeauxwijn, met een vriend die kind aan huis was bij een wijnhandelaar met twee perelaars tegen zijn voorgevel. Zelfs topwijnen waren toen spotgoedkoop, ik waagde mij zelfs eens aan een kistje Léoville Barton van 1983. Toen leek 800 Belgische franken een stuk meer dan 20 euro nu…
Château Lanessan, in de Haut-Médoc, is een goede plaats om te starten. Als je een luchtfoto bekijkt van de Haut-Médoc, zie je dat de rivier (de Gironde) al een stukje verderaf ligt, en dat wijnbouw en bossen elkaar afwisselen. Er zit meer vocht in de bodem, en minder van de klassieke graves (kiezel), het alluviale gesteente dat de waterlopen hebben meegebracht en dat de bordeuxwijnen (toch zeker die van de linkeroever) zo typeert.
Hoe dichter bij de Gironde, hoe beter (in principe) de afwatering, en hoe dieper de wijnstokken moeten zoeken naar water. In dit climat doet de cabernet het beter dan de merlot, die zich meer in zijn sas voelt in de kleihoudende gronden van de Haut-Médoc en de (Bas-)Médoc (en op de rechteroever van Saint-Emilion en Pomerol).
De variatie in bodem is groter in Haut-Médoc. Château Lanessan ligt in het noorden van de appélation, vlakbij de grens met Saint-Julien, dicht bij Gruaud-Larose en Beychevelle.
2015 en 2016 zijn excellente jaargangen in Bordeaux, en voor Lanessan betekent dat wijnen met een prachtige balans en een grote finesse. Geen grote kracht, geen dieprode wijnen, geen fruitbommen en houtsoepjes, en zeker geen overdreven extractie of alcoholgehalte. Recent ontkurkte ik nog eens de 2015. In primeur betaalde ik 12,5 euro. Deze wijn had alles wat je van een heel goede Saint-Julien kan verwachten, maar voor de prijs van een Haut-Médoc. Jancis Robinson, Master of Wine en de beste wijnschrijver ter wereld, was enthousiast en gaf Lanessan 16.5 op twintig. Met scores moet je altijd oppassen, maar op Robinson (die ook de beste pen heeft, in tegenstelling tot Robert Parker, die de wijnen heel saai beschrijft) vertrouw ik volkomen. Terecht, zoals bleek toen ik de wijn zelf proefde. Maar loonde het nu de moeite om de wijn in primeur te kopen?
Ik kocht de wijn bij Colruyt (Klassewijnen) in 2016. In de wijncatalogus van 2018 kostte deze Lanessan 14.5 euro. Dan kun je zeggen: deze wijn in primeur kopen, geeft me een voordeel van 13,5 procent. In tijden van lage intrest is dat toch dat, en bovendien ben je niet zeker of alle primeurwijnen uiteindelijk ook in de catalogus terecht komen, dus hebben is hebben. Maar anderzijds heeft Colruyt ook de goede gewoonte om telkens als er een catalogus uitkomt, de klant tien procent korting te geven. Of je deze wijn al dan niet in primeur hebt gekocht, je kunt ook nog altijd een kistje kopen of bijkopen!
Château Lanessan is dus een goede koop, zowel in primeur als wanneer je hem kunt kopen met een mooie korting. Maar het blijft een beetje uitkijken – in primeur koop je op reputatie, of afgaand op commentaren van de vakpers. Maar de proef op de som blijft nog altijd… zelf proeven!
(Wie in Bordeaux in primeur wil kopen, kan hier ratings vinden. Opletten met 2017, waarvan het primeurseizoen net is afgetrapt; dit in een onevenwichtig millésime.)
Deze lenige liefde van Rodin stelt eigenlijk een gevallen engel voor: L’Ange déchu, Palais des Beaux-Arts van Rijsel.
Deze week zag ik iemand die ik een jaar geleden voor het eerst ontmoette. Nu herinnerde deze vriendelijke man zich dat ik wel sportief was … fietsen? Nou, nee, veeleer wat lopen, maar dat was nu alweer een week of twee geleden, dus dacht ik: ik moet weer wat meer bewegen. Als ik hem volgend jaar weer ontmoet, kan ik hem bevestigen dat ik wat aan sport doe. Dus hup. Mijn eerste pauze is doorgaans de plaatselijke bibliotheek, waar ik mijn stramme gewrichten wat respijt geef, en dan stop ik even bij dit gedicht:
Middenin de vlakte van juli kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je. Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik, zei ik, en waar leerde je de kunst om niet lang te duren? Ook hier, zei je.
Je was lenig; en je woorden waren zo doorschijnend, ik kon je er helemaal door zien. En daar lag ik al in het gras en wat hield ik in mijn hand? Een oortje, waarin ik het lange woord ‘lieveling’ uitgoot, zonder morsen
Het gedicht blijft mooi, het wordt zelfs altijd wat mooier naarmate ik wat minder lenig word. Herman De Coninck schreef het in 1969, toen ik als tienjarige knaap bij meester Debeuf in de klas zat. Alle meesters waren toen mannen. Enkele jaren later, in het middelbaar, zou de komst van de eerste vrouwelijke leerkracht nog heel wat opzien baren. Het kan verkeren, zo leert de krant mij vanmorgen: ‘Vorig jaar waren in het basisonderwijs 63.551 vrouwen aan de slag, tegenover 8.943 mannen. In het secundair onderwijs was de verhouding 49.440 vrouwen tegenover 27.291 mannen.’ (De Standaard)
Maar goed, de lenige liefde dus. De eerste bundel van De Coninck, in een poëtische taal die mij geen schrik aanjaagt.
Een mooi, klassiek museum.
De verleiding van de heilige Antonius?
Goya
Open deur met tango.
Het had hard gewaaid, die tiende maart 2019 in Rijsel, en een museum biedt altijd een veilig onderkomen. Het Palais de Beaux-Arts is eigenlijk een heel mooi, wat ouderwets ingericht museum, met enkele echte parels – een paar Goya’s, bijvoorbeeld, maar ook een mysterieus beeldhouwwerk van een pater (of de heilige Antonius) die aan drie wellustige verleidingen moet weerstaan. Kunstenaar mij niet bekend.