Een zondares en een jonge neger

In de Galeria Sabauda in Turijn hangen er twee opmerkelijke schilderijen. Het eerste is een piepklein doek van Jan van Eyck, dat de heilige Fransiscus voorstelt die de stigmata ontvangt. Dat schilderij was, toen ik laatst in Turijn was, te bezichtigen in Gent op de grote van Eyck-tentoonstelling. Ook die is zeer de moeite, en, er zijn nog kaarten beschikbaar, zo werd mij verteld.

Het contrast met het tweede schilderij, Cena in casa di Simone van Veronese, kan niet groter zijn. Paolo Veronese is één van de groten van de ‘tweede golf’ van de Italiaanse renaissance, het cinquecento (nogal verwarrend, want het gaat hier om millecinquecento, de jaren 1500, terwijl wij spreken van de zestiende eeuw). Van die ‘eerste golf’ is er niet zoveel te zien in Turijn, maar wat er te zien is, ‘vaut le voyage’ – een zelfportret en een schets van een mannenkop van Leonardo, en een tekening van Michelangelo.

Waar de van Eyck een miniatuurtje is (en zeggen dat de versie van Philadelphia nóg kleiner is), is het schilderij van Veronese kolossaal, ruim 4,7 op 4,1 meter groot. Ondanks het onderwerp is het verre van religieus. Het stelt het avondmaal voor in het huis van Simon, de farizeeër die Jezus voor het avondeten had uitgenodigd om hem op de proef te stellen. Terwijl Jezus aanligt, komt een vrouw de voeten van Jezus wassen met balsem en met haar tranen. Ze droogt zijn voeten met haar haren, en kust ze meermaals. Het is een zondares, ongetwijfeld een prostitué, maar in de visie van Veronese is het een stijlvolle dame, veel meer dan een straathoertje. Het licht valt op haar blanke huid en blonde haren. Jezus dient de farizeeër van repliek als die hem attent maakt op de sociale status van de vrouw. ‘Een geldschieter had twee schuldenaars,’ zo legt Jezus hem uit, ‘de een was hem vijfhonderd, de ander vijftig denariën schuldig. Omdat zij die niet konden teruggeven, schold hij ze aan allebei kwijt. Wie van hen zal nu het meest van hem houden? (…) Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten gezalfd met balsem. Daarom zeg Ik u: haar zonden zijn haar vergeven, al waren ze vele, want zij heeft veel liefde betoond.’ (Lucas 7.36 e.v.)

Veel meer dan de figuur van Jezus is het de vrouw die alle aandacht naar zich toetrekt in een architecturaal decor vol drama. Links lijkt het alsof er iemand bedelaars (?) met de stok van langs geeft; bovenaan staan er toeschouwers op het balkon; vooraan schildert Veronese twee honden, en zowel centraal als rechts zijn er heel wat mensen in een levendige discussie verwikkeld, waarschijnlijk met vraag die Lucas de omstaanders in de mond legt: ‘Wie is deze man, die zelfs zonden vergeeft?’

Centraal in het doek staat een jonge neger, een nederige dienaar, die opgaat in de massa, zonder deel te nemen aan de actie rondom hem. Net als de vrouw ziet hij er nobel en beheerst uit, deze jongeman die ongetwijfeld als slaaf is meegebracht naar het verre Italië, ook al speelt deze scene zich af in het beloofde land.

Paolo Veronese – Cena in casa di Simone. Torino – Galleria Sabauda. Veronese maakte verschillende versies van dit thema, één ervan hangt in het Brussels Museum voor Schone Kunsten.
Van Eyck, in Gent, dus nu even niet in Turijn (wel in 2016).

Eens: vrijdag 21 februari 2020
Ergens: Torino,Galleria Sabauda

Vlaamsekaai

‘The past is a foreign country; they do things differently there.’ Dit citaat uit The Go-Between van Leslie Poles (L.P.) Heartley werd vriendelijk onder mijn aandacht gebracht door columnist Rik Van Cauwelaert, die het gebruikte om de hedendaagse politieke mores te duiden.

Ik moest eraan denken toen ik, voorovergebogen over mijn stuur, tegen de wind, de dag na storm Ciara, even stopte om de Vlaamsekaai te fotograferen. De Vlaamsekaai heet zo omdat er nog heel wat huizen staan in die mooie Vlaamse eclectische neo-renaissancestijl, opgetrokken in een tijdperk toen men nog heimwee had naar dat vreemde land, het mooie verleden van Vlaanderen die scone. Een groot deel van die Vlaamsekaai moest in de jaren 70 en 80 wijken voor de moderne tijd, de tijd van Amelincks en andere bouwpromotoren. In één van deze bouwdozen heeft mijn tandarts zijn praktijk. Eigenlijk is de Vlaamse Kaai gewoon een stuk van de stadsring, de R40. Kijk goed, rechts ervan ligt de lage-emissiezone, waaruit mijn oude diesel verbannen is; links ervan mag alles (voorlopig) nog.

In het verleden deden ze dingen anders. Ik heb heimwee naar de tijd dat men heimwee had naar de schoonheid uit het verleden, en dat wat men toen deed in het heden, afgemeten werd aan wat onze voorouders presteerden.

EENS: 11 februari 2020, 7.27 uur
ERGENS: Vlaamse Kaai, Gent

Ezelsoren

Boeken zijn me niet heilig, maar ik behandel ze toch met zorg. Hoeken van de bladen omvouwen om te tonen waar ik ben met mijn lectuur, doe ik nooit. Ook niet met boeken uit de bibliotheek. Zulk een ezelsoor is een permanent teken, en als ik een boek lees uit de bibliotheek, wil ik niet geconfronteerd worden met vorige lezers. En dan denk ik: wie doet zoiets? Doen ze dat ook met hun eigen boeken?

Het boek in kwestie is Judas, van Amos Oz. Een fascinerende ideeënroman die zich afspeelt in het Israël kort na de oprichting van de Joodse staat, en waar de littekens van de onafhankelijkheidsoorlog nog herinneren aan de recente, bloedige geschiedenis. Het is ook een boek over verraad, op verschillende niveaus, en over de (fictieve) verrader Sjealtiël Abarbanel, een politieke tegenstander van David Ban Goerion, iemand die niet geloofde in een Joodse (of andere) natiestaat, en die ijverde voor het vreedzaam samenleven van Joden en Arabieren in het Beloofde Land. En natuurlijk over de aartsverrader Judas Iskariot, de rijkste onder de discipelen van Jezus, die in de ogen van het hoofdpersonage (die een scriptie schrijft – of probeert te schrijven – over Judas). In deze scriptie, over de visie van de Joden op Jezus, staat Judas centraal, de leerling die Jezus het meest liefhand, en de enige die inzag dat Jezus de zoon was van God, en die daarvan Jezus misschien heeft kunnen overtuigen, en die dus wou dat Jezus aan het kruis werd genageld, om dan van het kruis af te komen en te verrijzen uit de dood.

Het boek Judas is ook een bildungsroman, met het hoofdpersonage Sjmoeël met een ‘holenmensbaard’ die desondanks een verlegen jongetje blijft, en die hopeloos verliefd wordt op een oudere vrouw, de dochter van Abarbanel, wier man Micha gruwelijk door Arabieren werd vermoord tijdens een militaire missie in 1948.

Toen mijn vader eens een oude jeugdvriend had geholpen, en nadien door hem werd verraden, had hij eens een gesprek met de vrouw van die jeugdvriend. “Mijn man is een heilige,” zo zei die vrouw. En mijn vader antwoordde: “Dan was het toch de heilige Judas.”

Maar aan de vele ideeën die in het boek opduiken, kleeft ook een leukere anekdote. Begin jaren 80 gingen wij eens skiën in het Oostenrijkse Malnitz, in de Kerstvakantie. We maakten er kennis met een wat ongewoon koppel: een jonge Vlaamse lerares en haar Joodse vriend; hun namen ben ik vergeten. Op Kerstavond zouden we met ons vieren naar de middernachtmis gaan. Het viel me op dat het bevriend koppel wat achterbleef, en de Joodse vriend begon steeds trager te stappen, tot hij ineens verdwenen was. Hij had zich bedacht. Hij kon, als Jood, zo denk ik, niet naar de middernachtmis gaan, een hoogfeest van de Christenen, die dan de geboorte vieren van de zoon van hun God, waaruit een religie zou ontstaan die de Joden zoveel leed heeft gebracht.