De oude schoolpoort

Vanmiddag kwam ik langs mijn oude school. Meer dan 50 jaar geleden stapte ik hier voor het eerst binnen, nu ging ik nog eens door de schoolpoort – eigenlijk een oud poortgebouw dat ooit een vakschool moet geweest zijn. Je raadt het – je herkent het wel, maar toch is alles anders, en nee, het voelt niet meer zoals toen. Natuurlijk niet.

Toen was ik zes, en de gang waardoor je binnenkwam leek eindeloos lang. Rechts de klas van meester Waeytens, tweede studiejaar, de man die nog met de regel op de vingers van de stoute leerlingen sloeg. Dan, de speelplaats, onherkenbaar veranderd. De school is geen school meer, maar een verzameling van sociale buurtactiviteiten. De klas van meester Reynebeau, de zachtaardige, vond ik nergens meer, wellicht afgebroken. Het was een klas waarin nog een kolenkachel stond. Wat verder, de nieuwbouw, waar we vanaf het derde jaar in ondergebracht werden, maar die ik nu helemaal niet herken. Meester Pauwels, een sadist in mijn herinnering, misschien alleen maar omdat hij mij eens aan mijn oren uit mijn lessenaar trok, omdat ik in twee regels van een dictee drie fouten had gemaakt. Toen hij doodging, had ik de onchristelijke gedachte: ‘zijn verdiende loon’.

Wat ik wel herken, is een boom. En een muur. Op die muur stonden de contouren van een goal geschilderd. Toen ik een jaar of tien was, heb ik daar een fenomenaal doelpunt gemaakt, recht in de rechter winkelhaak. Dàt zie ik nog voor me.

Maar verder – eigenlijk niets speciaals. Er is een mooie muurschildering, er bloeien nog enkele late buddleja’s. Dat was er vroeger natuurlijk niet. Boven de schoolpoort staat er ‘Vak en ambachtschool’, wat ik destijds nooit had opgemerkt. Toen ik er school liep, was het gewoon een lagere school, in 1963 een afdeling van het Sint-Lievenscollege, twee jaar later maakte het deel uit van het Sint-Jan-Berchmanscollege. De directeur, mijnheer De Moor (1927-2021), was actief in de Christelijke Volkspartij. Toen we één of andere inenting moesten krijgen, stond hij de jongens nabij, en bij mij zei hij: ‘Dat is een flinke’. Dat zei hij vast bij iedereen, maar bij mij had het toen wel effect. Meester De Potter kon tekenen, maar niet zingen, en bij meester Lebeuf was het net omgekeerd. Meester Robberecht heeft me eens ten onrechte een oorvijg gegeven. Buiten de schooltijd liep hij rond met een groot houten kruis waarop geschilderd stond: AMNESTIE. Ook toen al: activistische leerkrachten.

Zomaar, een schooltje. Waar mijn grootvader me vaak met bus naartoe bracht. Waar ik de belangrijkste zaken van mijn leven leerde: lezen, schrijven en rekenen. Mijn eerste woordjes Frans. De ABN-kaart. De prenten van Boduognat en van Karel de Grote. Kennis vergaren, levenslessen leren. Dit alles onder het toeziend oog van koning Boudewijn en koningin Fabiola. Revienne le temps? Nee, dat gevoel had ik toch niet.

EENS: 8 september 2021

ERGENS: Koningstraat, Sint-Amandsberg

Le Temps d’un Soupir

Mortehan, kerkhofje aan de oevers van de Semois.

Het is een vreemd toeval. Ik ruim wat oude boeken op, en ik vind twee boeken. Het ene is van mijn vrouw, haar naam staat erop in haar herkenbare, zij het meisjesachtige handschrift. Le Temps d’un Soupir, ongetwijfeld een boek van een literatuurlijst, in dit geval van een nonnetjesschool in de jaren 70.

Het andere is een boek dat mijn schoonvader mij ooit cadeau deed: Le Grand Meaulnes, van Alain-Fornier. Dat laatste boek, eerst verschenen in 1913, is het meest verkochte en vertaalde Franse boek ooit, na Le Petit Prince. Ik had het eerder al gelezen, maar was toch blij met het geschenk, zomaar. Mijn schoonvader had aan mij egdacht, en vermoedde dat ik dat boek mooi zou vinden. Had hij het ooit gelezen? Vond hij het zelf zo goed? Waarom gaf hij mij precies dàt boek cadeau?

Le Temps d’un Soupir moet destijds, zo denk ik, destijds een populair jongemeisjesboek geweest zijn. Laat dit nu net een boek zijn waar mijn vader mij over vertelde, van een vrouw (Anne Philipe, de auteur), die schrijft over de dood van haar man, de acteur Gerard Philipe, overleden op 37-jarige leeftijd. Een passage had mijn vader bijzonder aangegrepen, waarin de vrouw mijmert bij het graf van haar man, waar een boom staat, een boom die zijn levenskracht haalde uit zijn wortels die het graf van haar man beroerden, zo herinner ik mij wat mijn vader ervan vertelde. Ik was benieuwd naar deze passage, en las het boekje. Op één van de laatste bladzijden vond ik iets wat erop leek, maar helemaal klopte het niet. Maar de boom, de wortels, het begraven lichaam kwamen er wel in voor.

Ce n’était plus un rendez-vous, je venais regarder la terre qui te touchait et les arbres qui t’encadraient de leurs racines. J’arrosais les jeunes plantes et le lierre encore frafile que le soleil brûlait. La terre buvait l’eau avec un bruit presque humain.

Anne Philipe, Le Temps d’un Soupir, Livre de Poche 1969, p. 153.

Het boek verscheen in 1963. Gerard Philipe overleed in 1959, mijn geboortejaar. Hoe kwam dit boek in mijn vaders handen? Hij was wel een romanticus, maar ik denk niet dat hij gek was van Franse literatuur. Hoe oud was hij toen hij dit boek las? Hoe oud was ik toen?

Zoveel vragen voor vaders, en voor ouders in het algemeen. Als je jong bent, denk je ofwel dat deze vragen niet zo belangrijk zijn, of dat ze ooit wel eens een antwoord zullen krijgen. Wat nog maar eens de jeugdige overmoed én onbezonnenheid demonstreert. Hoe graag zou ik nu nog eens met mijn vader en mijn schoonvader een gesprek hebben over Le Temps d’un Soupir en Le Grand Meaulnes!