De Toverberg, stap voor stap

Het is zo ver.

Op 22 januari 1981 kocht ik De Toverberg van Thomas Mann. Het was de tijd dat ik mijn naam nog in mijn boeken schreef, en er ook de aankoopdatum bij noteerde. Ik denk dat dat in Marnix Boekhandel was, op de Ajuinlei. Ik had over het boek gelezen in de cursus van Alex Bolckmans, Inleiding tot de voornaamste moderne literaturen. Eén van de grootste romanciers der 20ste eeuw, zo noemt Bolckmans Mann, iemand die de grenzen van het neorealisme overschrijdt. Der Zauberberg is een ontwikkelingsroman met een humanistische boodschap. Was het dat dat mij dit boek deed kopen? Of was het omdat ik het zo een fraai boek vond, perfect van formaat, ondanks de 972 bladzijden? Het was de vierde druk van De Arbeiderspers van 1980, met de vertaling van Pé Hawinkels. (Over de – vaak bejubelde, maar ook bekritiseerde – vertaling schreef Thomas Heij een lezenwaardig stuk.)

Niet snel na de aanvang van de lectuur heb ik het boek opzij gelegd. Enkele jaren later ben ik er weer aan begonnen, maar toen strandde ik halfweg het vijfde hoofdstuk, net voor ‘Mijn God, ik zie het’. Pagina 264, er zit nog een velletje papier op de plaats waar ik het dikke boek voor lange tijd dichtklapte. Ik herinner mij – vaag – dat er nogal wat gefilosofeerd wordt over het begrip tijd, bijvoorbeeld dat tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn, denk maar aan de wijzer van een klok. Als alles stil staat – dus niet alleen het horloge – valt ook de tijd stil, is er zelfs geen tijd meer.

Helaas, het boek belandde weer in de boekenkast, waar de rug van het boek intussen zodanig verschoot, dat het nu zelfs een andere kleur lijkt.

Maar kijk, ruim veertig jaar nadat ik het boek kocht, nam ik het weer ter hand, en ik was meteen ingenomen door de beginregel van de introductie die Mann aan zijn boek gaf. ‘Nu gaan wij het verhaal vertellen van Hans Castorp – niet omdat hij het is (de lezer zal hem namelijk leren kennen als een eenvoudig, doch innemend jongmens), maar omdat het verhaal ons in hoge mate vertellenswaard voorkomt (waarbij ten gunste van Hans Castorp dient aangetekend dat het zijn verhaal is, en dat niet iedereen elk verhaal meemaakt).’

(In het origineel staat er: ‘Die Geschichte Hans Castorps, die wir erzählen wollen (…)’, waaruit je merkt dat de vertaling van Pé Hawinkels – ooit tekstschrijver van Herman Brood – inderdaad wel vrij te noemen is.)

Dat de verteller de toehoorder of lezer aanspreekt, bevalt me; ik herinner mij dat Goethe zijn Wahlverwandtschaften ook zo begint: ‘Eduard – zo noemen wij een rijke baron in de kracht van zijn leven – Eduard had in zijn boomkwekerij het mooiste uur van een aprilmiddag doorgebracht met het enten van pas verworven enttakken op jonge stammen.’

Maar terug naar Mann en De Toverberg. Je weet gewoon vanaf de eerste zin dat Hans Castorp langer dan drie weken in het sanatorium in Davos zal blijven, en dat zijn verblijf zijn leven zal veranderen. Gelukkig is er een goede verteller die je bij de hand neemt.

En kijk, intussen is het zo ver. Ik ben voorbij pagina 264 geraakt, en ik stoom verder door, als een oude locomotief.  Een ‘schwer keuchende Lokomotive’, schrijft Mann ergens, wat bij Hawinkels een ‘door rokershoest geplaagde locomotief’ wordt. Het bekende citaat – ooit geparafraseerd door professor Schrickx (die volgens Siegfried Bracke twee wereldtalen tegelijk spreekt: Engels en Antwerps) tijdens en één van zijn uitweidingen is ‘het lachen is de zonnestraal van de ziel’. Schrickx vond een spontane lach die opstijgt in een conversatie tussen studenten als een waarachtig moment, of iets van dien aard, wel, dat citaat ben ik nog niet tegengekomen. En zo wordt deze uitgestelde lectuur ook voor mij een reis door de tijd, mijn tijd.

Eens: 6 oktober 2021
Ergens: Thuis

Post scriptum: Ik lees nu elke avond in De Toverberg, voor het slapengaan. Gisteren kwam pagina 281 voorbij. Hans Castorp moet een röntgenfoto laten maken, en is compleet van de kaart omdat mevrouw Chaucat was binnengekomen in de wachtzaal.

‘Maar waar ruikt het hier toch naar?’

‘Zuurstof,’ zei de kamerheer. ‘Wat u in de lucht bespeurd, dat is oxygenium. Atmosferisch produkt van het kameronweer, als u begrijpt wat ik bedoel…”

Inderdaad – een licht-progressieve spelling bij Pé Hawinkels, en een dt-fout.