Witte donderdag

Het was de Witte Donderdag van het Jaar des Heren 2022. Ik zoek enkele fotolocaties in Gent, de zon schijnt. Onder de Albertina Sisulubrug vind ik wat ik zoek, en ook wat verder, onder de brug van de Lammerstraat, waar je in het water van… ja, van wat eigenlijk, een stukje water tussen Leie en en Schelde, het bewegende silhouet van de Sint-Pietersabdij herkent.

Een jonge vrouw komt me vragen hoe laat het is, en dat vind ik een vreemde vraag, een die je niet vaak meer hoort. Wie heeft er nu geen mobiele telefoon op zak? En waarom vraag je hoe laat het is, als er aan de overkant van de straat een apotheek ligt, met een groen neonkruis dat flikkert en de tijd aangeeft. Zoals kerktorens het zielenleven combineerden met het praktische, zoals de tijd van de dag. Steeds als je wil weten hoe laat het is, denk je aan God. Als het angelus luidt, doe je je pet af en bid je.

Ik haal mijn telefoon boven, en zeg, naar waarheid, dat het kwart over negen is, waarop de vrouw me bedankt, en dan ook de aap uit de mouw komt. Ze zegt me dat ze een Christen is, en ze vraagt me of Jezus ook al in mijn leven is gekomen, want dat is toch iets wat haar bijzonder gelukkig maakt, de merk- en voelbare aanwezigheid van God, nu, maar ook voor het leven na de dood. Ik laat haar rustig uitspreken, en vertel dan dat ik haar overtuiging respecteer, maar dat die van mij toch wat afwijkt. Hemel en hel bestaan wel degelijk, zeg ik, maar ze bestaan beide op aarde, en het is onze verantwoordelijkheid om hier een hemel te maken, en dat dat kan zonder God. Ja, dan heeft ze het over vrije keuze, en nog één en ander, en ze besluit dat ze vandaag aan haar God zal vragen of hij zich ook aan mij zou openbaren, zoals hij dat bij haar heeft gedaan.

Ik vind het wel een fijne gedachte – iemand die mij gedenkt in haar gebeden, en dat terwijl ik nog leef.

Eens: Donderdag 14 april 2022
Ergens: Gent, in de buurt van De Krook, Vooruit, VOKA en de brug onder de Lammerstraat.

Moral bombing

De treurende ouders van Käthe Kollwitz in Vladslo.

Op 23 november werd het huis van de expressionistische kunstenares Käthe Kollwitz (1867-1945) in Berlijn gebombardeerd, van waarvan ze enkele maanden ervoor werd geëvacueerd. ‘De grote woonkamer met de ovale familietafel, de tegelkachel, de tekeningen aan de muur, meer dan een halve eeuw familieleven, niets bleef bewaard,’ schrijft Geert Mak. ‘Op 26 februari 1944 ging de oude Alexanderplatz ten onder in een zee van vuur. Anderhalf miljoen Berlijners waren op dat moment al ausgebombt, uiteindelijk zou 70 procent van de stad tot puin vervallen.’

Käthe Kollwitz overleefde haar man, die stierf in 1940, en haar kleizoon Peter, die als soldaat omkwam tijdens de tweede wereldoorlog. Ze overleefde ook het bombardement op haar huis; ze overleed op 22 april 1945, 16 dagen voor het einde van de oorlog.

Het bombarderen van bijna alle grote Duitse steden was deel van de tactiek van moral bombing, met maar één doel: de Duitsers demoraliseren zonder dat er aan geallieerde kant (Britten en Amerikanen) veel slachtoffers vielen. Het blijft een vreemde term, moral bombing. Driehonderdduizend Duitsers, waarvan 75.000 kinderen, kwamen om het leven in vuurzeeën in Berlijn, Keulen, Hannover en andere steden. De Russen deden hun duit in het zakje door verschillende boten met vluchtende Duitsers te torpederen en vrouwen massaal te verkrachten en vermoorden.

Militair historicus John Terraine merkte op dat de term moral in de richtlijn voor bombardementen niets anders betekende dan ‘het in stukken uiteen rijten van mannen, vrouwen en kinderen’.

Van de Duitsers zou je nog kunnen zeggen: zij hebben de vuurzee, de waanzin van Wereldoorlog II, zelf ontketend; ze hebben ook Londen, Coventry en Rotterdam gebombardeerd en miljoenen Joden de dood ingejaagd.

Maar de Oekraïners?

Bron: Geert Mak, In Europa deel 2, Dresden

Eens: 24 juni 2021
Ergens: Duits oorlogskerkhof in Vladslo