Het Burreken is een klein natuurgebied geprangd tussen Horebeke, Maarkedal en Brakel. Hoewel het er een plek is waar je nog ‘pure natuur’ vindt, wil ik er ook zoeken naar de menselijke hand in dit diep ingesneden landschap.
Ik bezocht Het Burreken eerst een paar jaar geleden, en was vooral getroffen door het relatief grote hoogteverschil (diepe dalen, bijvoorbeeld aan de Krombeek), en de mooie bloemen en het daslook die hier zorgen voor een groene en kleurige bodembedekking. Maar ook de menselijke inbreng, die door de tand des tijds een poëtische patine krijgen – roestige hekkens, betonnen paaltjes en schrikdraad, een badkuip als waterbak voor de koeien – maken dit stukje van de Vlaamse Ardennen echt Vlaams. Opvallend is er ook de wat vreemde kapel van de Ronde van Vlaanderen, waar een Christusbeeld gecombineerd wordt met de heiligen van deze streek: Rik Van Steenbergen, Briek Schotte, Rik Van Looy, en nog levende helden die nog niet het statuut van zalige ontvangen hebben: Cancellara, Devolder, Boonen en vele anderen (de chronologie stopt abrupt in 2010).
Eenzame bomen …… en schrikdraad!De klassieke Vlaamse badkuip …… en een prachtige horizon.The human touch…… en mooie luchten.Een mooi vlonderpad naast de educatieve boomgaard met oude fruitbomen.De Krombeek‘Gevoelig plekje’
Enkele foto’s van 13 april 2024. Het lukte niet om de zonsopgang te ‘vangen’, daarvoor moet je, zoals men zegt, ‘vroeger opstaan’…
Geen echte landschapsfoto’s, maar bloemen zijn toch deel van het landschap?
Het huis (nee, niet het huis mijns vaders) was stil ‘daar ’t in de schaduwing der tuinen lag en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren’. (Zaterdag 9 maart 2024)
Negen jaar had ik de omgeving van het huis mijner ouders (dat klinkt als Van de Woestijnes ‘waar de dagen trager waren’) niet meer bezocht. Op 18 april 2015 was ik er, met mijn vader en met mijn oudste zoon, een mooie en kwetsbare herinnering. ‘Weet je wat,’ zei mijn vader, toen ik hem eens vroeg of hij de Cuba kende, en waar die naam vandaan kwam, ‘we gaan er eens naartoe’. Er stond een bouwvallig, verlaten huisje in de rust van de schaduw van de bomen.
Vorig weekend was ik er nog eens, met een groep fotoliefhebbers, daar op de plek waar blauwe reigers stil overvliegen, waar er koeien zijn, overal, behalve vorige week. Het bouwvallig huisje stond er nog even verborgen, en het was nog bouwvalliger geworden. Waar negen jaar geleden de ramen afgeplakt waren, kon je er nu ongegeneerd binnenkijken. De tijd was er nog meer blijven stilstaan, het vervallen huisje gaf de indruk dat als je er een duw aan gaf, het zou instorten. Een kachel, een tafel met vier stoelen, het voeteinde van een bed, een relaxzetel. Alsof de bewoners hun huis inderhaast hadden moeten ontvluchten, alles achterlatend.
En dat in een idyllisch landschap dat door Lieven Tavernier zo mooi werd bezongen in ‘De Cuba’. Nu, net als toen, vond ik het er bevreemdend mooi, zelfs magisch, alsof er nog goede geesten rondwaarden om mij gezelschap te houden, iets of iemand om in gedachten een praatje mee te maken. Iemand die me zou geruststellen, zeggen dat ik het goed had gedaan, en dan zou ik antwoorden: ‘Jij ook va. Jij ook.’
Zoals Lieven Tavernier zong: ‘De tijd gaat nooit voorbij, voor nonkel Walter en voor mij’.
Ik bezorgde een briefje aan de bibliotheek van Gent. Eerst dacht ik om de enveloppe aan te bieden door hem tussen mijn CD’s te stoppen die ik terugbracht, maar ik heb hem dan toch maar aan een heel vriendelijke baliemedewerkster afgegeven. ‘Voor u en voor iedereen in de bibliotheek,’ zei ik erbij, en ze leek zelfs blij verrast.
Maar eigenlijk mag iedereen dat briefje lezen. Vooruit dan maar!
Aan de directie en de medewerkers van de bibliotheek
Geachte heer, geachte mevrouw,
Ik wil u allen – directie en medewerkers van de bibliotheek – bedanken om jarenlang CD’s ter beschikking te stellen. Ik ga al meer dan 50 jaar naar ‘de bib’, en heb intussen honderden boeken en CD’s kunnen ontlenen. Die CD’s eerst voor 50 cent per stuk, daarna helemaal gratis. Ik maakte kennis met de klavierstukken van Bach en de Chants d’Auvergne van Canteloube, met Oscar Peterson en Eric Dolphy, met Jan Gabarek, met de volledige opnamen van Blood on the Tracks, en nog veel, veel meer.
Het is een schat die ze mij niet meer kunnen afnemen. Dus, daarvoor: dank u wel.
Ik las dat u grondig hebt nagedacht om de CD-collectie af te bouwen. Dat u de CD’s te koop hebt aangeboden. Dat er dan nog eens een deel als ‘afdankertje’ werd versnipperd voor een installatie op het laatste Lichtfestival. Dat laatste deed toch pijn.
Het doet me besluiten dat men grondig kan nadenken, en dan toch een verkeerde beslissing nemen. Ik merk dat de ruimte waar de CD’s stonden, nu jongeren zitten, turend naar het scherm van hun mobieltje. ‘Ik weet wel het is hun goeie recht, de nieuwe tijd, net wat u zegt, maar het maakt me wat melancholiek’ – tiens – zou Wim Sonnevelt nog beschikbaar zijn? O ja, Léo Ferré, die van het origineel (La Montagne), heb ook nog leren kennen via de bibliotheek.
Ik kijk het even na, want helaas, wat er overblijft aan CD’s, is wel ernstig geamputeerd. Er is geen overwogen selectie overgebleven; de collectie werd willekeurig geamputeerd. Maar ik zal blijven zoeken naar pareltjes die wachten om door mij ontdekt te worden. Voor alles verdwijnt, om plaats te maken voor… ja, voor wat eigenlijk?
Maar laat ik besluiten, ten derde male, met een dankuwel.
WG: Mark De Mey
EENS: 28-2-2024 ERGENS: De Krook, Gent
PS: Ik kreeg een vriendelijk bericht terug met onder andere deze cijfers:
“Tot halfweg 23 werden gemiddeld 5.500 cd’s per maand uitgeleend, itt 12.000 per maand in 2018. In de hoogdagen van de muziekafdeling waren dat er zelfs méér dan 25.000 per maand. Op 5 jaar tijd is de vraag naar deze collectie met meer dan 50% gedaald en die daling houdt maand na maand aan.”