The meanest flower

Het Hallerbos trekt rond deze tijd duizenden bezoekers uit heel Europa, omdat de bodem van het bos dan bedekt is met boshyacinten. Dat de volkstoevloed zo groot is, is een probleem, want de bluebells verdragen het niet dat men erop trapt. Het kan tien jaar duren vooraleer de knolletjes zich herstellen. Als een tractor zich om één of andere reden een weg zou moeten banen door het bos, zijn de sporen tien jaar later nog te zien door het ontbreken van de blauwe knolgewassen aldaar.
Daarom zijn de paden afgeboord met een dik touw, en pictogrammen moeten duidelijk maken waar je als bezoeker wel en waar je niet mag lopen. Dat weerhield een grote groep van enthousiaste Aziaten er niet van om toch diep in de jungle te trekken, maar kijk, ze moeten geseind geweest zijn want alras zag ik een parkwachter van Natuur en Bos zich naar de plaats delict spoeden, alwaar hij met enkele krachtige fluitsignalen – door hard te blazen op twee keer twee vingers – de natuurvandalen tot de orde riep. Daar kan ik dan jaloers van zijn – ik kan wel zacht een deuntje fluiten, maar zo hard en streng als die parkwachter het deed, dat lukt me niet. Of ze beboet werden, weet ik niet; ik kan me moeilijk voorstellen dat hij een proces verbaal heeft opgemaakt en van elkeen de identiteitspapieren heeft opgevraagd, want de overtreders waren echt wel talrijk.

Maar dat terzijde. In het Hallerbos zie je ook daslook, zij het in minder grote getale, en daartussen, waar de bodem nog drassiger was dan elders, stonden er enkele mooie exemplaren van heermoes, ook wel eens kattenstaarten genoemd, of met de officiële naam paardenstaarten (Equisetum). Er was een tijd dat ik ijverig elke paardenstaart uit mijn tuin verdreef, maar sinds ik weet dat deze plantensoort een levend fossiel is, de enige overblijver uit een geslacht dat ongeveer 100 miljoen jaren geleden de bodem van onze bossen overheerste, heb ik er meer respect voor gekregen. Paardenstaarten verschenen voor het eerst tijdens de Jura-periode. Op de webpagina van RoundUp lees je dan weer dat paardenstaarten een hardnekkig onkruid zijn dat zeer snel woekert en al snel een uitgebreid wortelnetwerk om zich heen creëert. Maar van RoundUp kan je natuurlijk moeilijk iets anders verwachten.

Op de Engelse wikipagina, waar ik alweer de vraag krijg om twee, of zelfs 25 euro te doneren, lees ik dan weer dat het patroon van de afstand tussen de knooppunten bij paardenstaarten, waarbij die in de richting de top van de scheut steeds dichter bij elkaar komen, John Napier zou hebben geïnspireerd tot het uitvinden van logaritmen.
Toen ik deze plantjes daar zo zag staan, badend in een zeldzame zonnestraal, vond ik het ineens een heel mooi plantje. En dan dacht ik aan mijn oude professor Schrickx, al geruime tijd zaliger, en aan zijn citaat van de romantische dichter William Wordsworth uit ‘Ode on Intimations of Immortality from Recollections of Early Childhood’:

‘To me the meanest flower that blows can give
thoughts that do often lie too deep for tears’.

Eens: 20 april 2024
Ergens: Hallerbos

De zee klotst voort

Mij hoor je niet mopperen over Facebook. Ik nam via dit zo vaak verguisde medium kennis van een gedicht van Henry Longfellow, die ik maar heel oppervlakkig ken.

Mijn vrouw heeft een oom – aangetrouwd, en helaas, al enige tijd zaliger – die in de eerste helft van de vorige eeuw afstudeerde als burgerlijk ingenieur en carrière maakte bij de toenmalige RTT. Merkwaardig genoeg hield hij erg veel van de Engelse romantic poets, en hij vertelde mij eens over The Song of Hiawatha van Henry Longfellow – een Amerikaan weliswaar, maar toch wis en zeker ook een romantic.

Het desbetreffend gedicht was The tide rises, the tide falls. Wat ik er mooi aan vind: het is kort, zeer begrijpelijk, met een duidelijke, wat eenvoudige metafoor, en ik leerde wat het Engelse woord is voor een wulp.

The tide rises, the tide falls,
The twilight darkens, the curlew calls;
Along the sea-sands damp and brown
The traveller hastens toward the town,
And the tide rises, the tide falls.

Darkness settles on roofs and walls,
But the sea, the sea in the darkness calls;
The little waves, with their soft, white hands,
Efface the footprints in the sands,
And the tide rises, the tide falls.

The morning breaks; the steeds in their stalls
Stamp and neigh, as the hostler calls;
The day returns, but nevermore
Returns the traveller to the shore,
And the tide rises, the tide falls.

Eens: 10 april 2024
Ergens: Wenduine