Water onder de brug

Er zouden 175 bruggen over de Seine zijn – niet dat ik ze geteld heb – waarvan 37 in Parijs. De Pont Neuf moet wel de bekendste zijn. Of het bruggetje hierboven meegerekend is, blijft een onbeantwoorde vraag. Ze bevindt zich technisch gezien in Parijs, aangezien de Franse hoofdstad in 1864 het stukje natuur kocht in de Côte-d’Or, ten noordwesten van Dijon, waar de Seine ontspringt. Het is een schattig bruggetje, dat zelfs een naam heeft: Pont Paul Lamarche 1902-2003.

Er stroomt veel water onder de bruggen van de Seine, en zoals de Engelsen zeggen: Water under the bridge – je kunt niet veranderen wat gebeurd is, maak je er geen zorgen over, het water stroomt toch naar zee.

Vlakbij is er een Gallisch-Keltisch heiligdom gewijd aan de godin of nimf Sequana. Op de weg zie je een bord naar Alesia. Wie zijn klassiekers kent, weet dat Assurancetourix het bestaan van deze plaats steeds ontkend heeft: ‘Personne ne sait où se trouve Alesia!’

Eens: 18 juni 2024
Ergens: Sources-Seine (departement Côte d’Or, regio Bourgogne-Franche-Comté-)

Langs d’oude steenweg peppels staan

Poëzie, het is me wat. Net als filosofische teksten leiden ze bij mij tot een grote onrust, een angst dat ik niet zal begrijpen wat er staat. Ben ik zoals Batavus Droogstoppel, die argwanend is tegenover ‘woorden in het gelid’?

Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in ’t gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. ‘De lucht is guur, en ’t is vier uur.’ Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als ’t kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in ’t gelid zet, zeggen: ‘de lucht is guur, en ’t is kwartier voor drieën.’ De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan ’t knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen.

Het was op een mooie lentedag, héél vroeg, kort nadat de zon opging, dat ik deze bomenrij fotografeerde in de buurt van Zegelsem. Ik vermoed dat de bomen de Oudenaardsestraat afboorden. Toen ik de foto zag, moest ik denken aan ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, de beginregel van een bekend gedicht van J.H. Leopold, dat me in mijn studietijd in hoge mate intrigeerde. Toen ik in een woordenboek opzocht wat ‘peppels’ zijn (populieren), begreep ik de regel wel, maar waarom deze vreemde constructie? De versregel – met bovendien een wat vreemd metrum – doet aan als letterlijk vertaald Engels of Duits. En waarom ‘woonhuis’ als gewoon ‘huis’ had volstaan? Wie was dat ‘lief’, dat zoek is geraakt, iets waarvan de dichter duidelijk van streek is, want het wordt in elke strofe herhaald?

En toch, in dat hoofd van mij dat hol is, en vol van duisternis, bleef deze beginregel resoneren. Van heel diep kwam hij weer aanwaaien toen ik deze foto zag. En dan vraag ik me af: wie is het toch die, voorovergebogen, zijn rust en vrede niet vindt? En: zijn het peppels, daar in Zegelsem?

Om mijn oud woonhuis peppels staan
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te horen
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
en altijd door en
de treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen
“mijn lief, mijn lief, o waar gebleven”
met lege ogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.

Eens: 13 april 2024
Ergens: Tussen de Oudenaardsestraat en Het Burreken, in de buurt van Zegelsem

Geuzenhoek (Korsele)

Op een klein kerkhofje in Korsele staat een machtige treurbeuk die ongeveer honderdvijftig jaar oud is. Hij laat zijn takken troostend over de graven eronder hangen, en dan denk ik aan zijn wortels, zoals Anne Philipe het verwoordt wanneer ze de bomen bij het graf van haar man ziet staan… les arbres qui t’encadraient de leurs racines. Aan de stam, zes meter diameter, staat een grafsteen van 1867 die door de boom helemaal wordt opgenomen. ‘Souvenir d’un ami’. Hier rust iemand (Jean-Baptiste?) die overleed in 1867 op de jeugdige leeftijd van 25 jaar (‘J.B. Mazure décédé à l’age de XXV ans le XXIII juin MDCCCLXVII’). De treurbeuk is rond 1860 aangeplant en was toen nog een klein boompje.

Ook opvallend: het kerkhof ligt vol met ‘Blommaerts’ – nakomelingen van een zekere Jacob Blommaert, een bosgeus uit de zestiende eeuw en medestander van Willem van Oranje. Teken dat het hier gaat om een kleine, gesloten (protestantse) gemeenschap, dat terecht een citaat uit Lucas 12:32 als lijfspreuk voert: ‘Vrees niet, gij klein kuddeken; want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven’.

Ik kwam er aan bij valavond, en hoopte dat het kerkhofje nog open zou zijn én dat er wat verlichting zou zijn. Ja hoor, het was open, én er was licht. Net toen ik de foto wou nemen, ging het licht uit.

Meer info (onder andere):

Vrees niet, gij klein kuddeke, door Kaat Schaubroeck (De Standaard, mogelijk achter een betaalmuur).
De treurbeuk aan de protestantse kerk van Korsele (Tussen.Tijd.be)

Eens:
Ergens: Protestants kerkhof in Korsele