Zie me hier eens zitten, zo zie ik deze man denken. Hij stut het voetstuk van een nis, die een beeld had moeten huisvesten maar nu nog altijd vacant is. ‘Het geld was op,’ denkt hij ongetwijfeld. De Lakenhalle werd aan het Gentse belfort gebouwd tegen het einde van de vijftiende eeuw, maar deze cul-de-lampe of kraagsteen kan niet zo oud zijn. Daarvoor ziet deze figuur – iemand met een papierrol – er te weinig verweerd uit. Wellicht een creatuur uit de tijd van de grote restauratie denk ik, eind 19de eeuw. Hij kijkt met verbazing naar het gewoel onder hem, weg van de kathedraal, richting Korenmarkt en Veldstraat, het commerciële hart van de stad. Hij zag de straten vollopen met auto’s, die het Sint-Baafsplein gebruikten als parkeerplaats, en zag de auto dan weer de stad verlaten. Hij zag twee wereldoorlogen voorbijkomen, en laatst nog een recente revolutie, die Gent uitriep tot een vrijstaat van licht en liefde. ‘We hebben de pastoors door de voordeur weggejaagd, en nu komen zo door de achterdeur weer binnen.’ Dàt zie ik hem denken.
Zorgvuldig je compositie kiezen, wachten tot er niemand in de weg loopt – en dan zo’n prachtige rode kop haren missen. En dat allemaal om een foto van bijna 50 jaar geleden opnieuw te maken.
Ik dacht lange tijd dat ik nooit op de scheve toren van Pisa heb gestaan. Gewoon omdat ik mij daar niets van kan herinneren. Maar op een oude foto zie ik mijzelf – met wit T-shirt, een jaar of zestien – staan, op de rug gefotografeerd (door mijn moeder, neem ik aan), op die beroemde, sierlijke toren. Mijn herinneringen zijn dus zeer fragmentair én onbetrouwbaar. Ze betreffen details, losse flodders, zoals een fikse lenteregen in Florence, of een hand met een grote ring die een hek vastklemt (op één of andere manier weet ik nog dat dat het voor de bronzen poorten van Ghiberti’s baptisterium is, nog zo’n miracolo). Ik herinner me ook nog dat een schoolvriend – Gino L. – me vertelde dat hij jaloers was dat ik zulk een reis ging maken.
De foto’s tonen Pisa, Firenze, Rome (met het Piazza del Populo vol auto’s!) en Venetië, maar ik heb het gevoel dat de essentie van deze reis mij ointsnapte. De details (hoe reisden we? waar logeerden we? wat zagen we? hoe was het ontbijt?), maar ook dieper – hoe komt het dat mijn moeder deze reis met mij maakte?
Zijn mijn herinneringen het gevolg van de weinige foto’s die ik nog heb? Toch zijn er flarden die blijven hangen zijn zonder een foto. Een gids vertelde het verhaal van de plaatsing van de obilisk in 1586 op het plein voor de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Deze delicate operatie moest op bevel van de paus in absolute stilte uitgevoerd worden. Een zeeman uit San Remo zag dat de touwen verhitten en dreigden te knappen en doorbrak de stilte, tegen de orders in. ‘Maak de touwen nat!’ riep hij. Dat redde de situatie. Ik hoor het in mijn herinnering nog weergalmen op het stille plein: ‘Aqua alle corde!’, hoewel het wellicht ‘Daghe l’àiga ae corde! (Ligurisch) zal geweest zijn. Als het hele verhaal tenminste niet apocrief is. Maar het gaat hier om mijn herinnering.
Laatst waren we nog eens in Italië. Vliegen naar Pisa, wandelen naar het centraal station aldaar, met de trein naar Cinque Terre, en daarna naar Lucca en als afsluiter Pisa. Van het station naar Hotel Caffè Verdi, en dan naar de Piazza dei Miracoli. Massa’s volk, hoewel het eind oktober was. Ik ging er op zoek naar iets. Niet de scheve toren, niet de duomo of het battisterio, maar een raam in een fel-okerkleurige muur. Het raam dat ik als tiener had gefotografeerd in de jaren zeventig. Ik had het teruggevonden met Google Street View. Een strakke geometrische compositie die me als tiener moet opgevallen zijn. Ik zag het raam, maar de regenpijp ernaast was verplaatst. De zon ging bijna onder en lichtte een andere kant van de muur op, met een vergelijkbaar raam, dat ik wilde vastleggen, deze keer digitaal. Ik maakte mijn compositie, en wachtte… wachtte… tot de zon goed zat en er niemand voor de lens liep. Mijn bedrijf ontlokte mijn vrouw de opmerking dat als er duizend mensen naar de wondermooie bouwwerken op de Piazza dei Miracoli kijken en één met zijn rug daar naartoe staat om een raam te fotograferen, dat ik dat dan ben.
Pisa, ca. 1975. Achter mij, de dom en het baptisterium.
Ik maakte verschillende opnamen, en mijmerde wat over bijna vijftig jaar geleden en nu, wat ik nog wist en terug had gevonden, en wat er al niet veranderd was. Toen ik thuisgekomen mijn foto’s op de computer bekeek, zag ik dat ik ‘een prachtig ‘moment décicif’ (zoals Henri Cartier-Bresson dat precies benoemt) gemist had. Een vrouw kwam voor mijn lens lopen met haren in precies dezelfde kleur als de muur. Had ik daar oog voor gehad, ik had ze meer prominent in beeld gebracht. Ik was zo obsessief bezig met het reconstueren van het verleden dat ik het nu-moment miste. Zoals mijn godsdienst- en estheticaleraar Jef Lambert, een priester met de allures van John F. Kennedy, placht te zeggen: Maak van elk nu-moment een monument. De Deense filosoof Sören Kierkegaard schreef iets in dezelfde zin: Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd.
O ja, voor ik het vergeet:
Vliegen met Ryanair Brussel-Pisa. Cinque Terre Express naar Vernazza. Overnachten in een appartement in Via Roma (of was het Via Visconti?) Trein naar Lucca, overnachten in Vicolo San Pierino nummer 8. Trein naar Pisa, overnachting in Hotel Caffè Verdi en terug te voet naar de luchthaven. Wie er bij was, dat vergeet ik nooit. Toch in geen vijftig jaar.
Eens: 28 oktober 2024 Ergens: Pisa
Bovenaan: Pisa, Lucca, Vernazza en Manarola; onderaan Rome, Firenze, Venetië en Pisa in de tweede helft van de jaren 70. Amper toeristen. Het Piazza del Populo in Rome staat vol auto’s.
In juni bezocht ik het Burreken voor de derde keer. De zon scheen op het graan dat gerst bleek te zijn. Een graanveld ‘als wiegende zeeën’ zoals de gelegenheidsdichter Willem Gijssels (1875 – 1945) schreef, maar het deuntje herinner ik mij niet meer. Wat me vandaag wel voor de geest komt, is The Fields of Gold (1993) van Gordon Sumner, beter bekend als Sting;
You’ll remember me when the west wind moves Upon the fields of barley You’ll forget the sun in his jealous sky As we walk in fields of gold.
En vandaar gaat het naar het verre Ierland, naar de ballde van een andere Joyce (Robert Dwyer Joyce) The Wind that Shakes the Barley. Een jonge rebel offert de relatie met zijn geliefde op om te gaan vechten tegen de Engelsen. De Ierse nationalisten droegen gerst in hun broekzakken als proviand voor onderweg. Dat gerst werd na de opstand van 1798 gezaaid in de ‘croppy holes’, de massagraven van gesneuvelden, en kwam elke lente weer tot leven. Het werd het symbool van de Ierse vrijheidsstrijd. En zo kom je meteen weer bij het Vlaanderen van Gyssels, en de lijken ‘als zaden in het zand, wachtend op de oogst o Vlaanderenland’.
A bullet pierced my true love’s side, In life’s young spring so early, And on my breast in blood she died While soft winds shook the barley! (…)
And ’round her grave I wander drear, Noon, night, and morning early, With breaking heart whene’er I hear The wind that shakes the barley
Elf november 1918, elf november vandaag. Nooit meer oorlog? Eeuwen geleden ging ik betogen tegen kruisraketten, maar nu denk ik aan mijn grootvader-vuurkruiser, aan Paths of Glory, aan generaal Dossin, en aan zovelen die vandaag alleen maar kunnen dromen van vrede.
Si vis pacem, para bellum: als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog