Het Christendom lijkt echt wel een religie van het lijden te zijn. Wellicht ook daarom dat kapelletjes zo lang zo populair zijn geweest, als plek waar je kon praten met God, met een heilige, of met Maria over je eigen lijden, zonder je de kop te moeten breken over die onmenselijke religie die je vraagt de andere wang aan te bieden als iemand je slaag geeft, meer zelfs, die je opdraagt lief te hebben wie je pijn doet.
Als je de deur van dit kapelletje openduwt zie je één van de zeven smarten van Maria, de vrouw die gelaten haar opdracht aanvaardt terwijl haar ook gezegd wordt dat een zwaard haar hart zal doorboren (Lucas 2). Alleen in Johannes lezen we dat Maria aanwezig was toen haar zoon aan het kruis werd genageld (Johannes 19), maar we lezen nergens dat ze Jezus op de schoot neemt, in de meest moederlijke van alle poses. Toch is dit een van de Zeven Smarten van Maria.
Eens: december 2024 Ergens: Kapel van Zeven Smarten, Massemen
In 2025 was ik, na bijna vijftig jaar, nog eens in Pisa, waar ik de tijd – niet verloren, alleen vergane tijd – achterna holde. Ik zocht er niet alleen een muur met een regenpijp en een getralied raam, maar ook een detail van de bronzen poort van de dom, waar de drie wijzen uit het Oosten, of koningen, op staan. De dom was betalend, maar de poort mocht ik wel gratis fotograferen. De foto lijkt dezelfde, maar toch; links zie je het bas-relief van het eind van de jaren 70, rechts een kopie. De poorten van de dom staan nu in het museum en zijn vervangen door een kopie.
Over de barre tocht van de drie koningen schreef T.S. Eliot een indrukwekkend gedicht, kort na zijn toetreding tot de Anglikaanse kerk. Na een zware reis hebben ze de plaats gevonden – Finding the place; it was (you may say) satisfactory. En toch heeft deze tocht hun leven veranderd. In hun oude wereld waren ze niet meer thuis. Zoals collega-dichter Yeats, in een andere context, zou schrijven: all changed, changed utterly – a terrible beauty is born.
Journey of the Magi T. S. Eliot 1888 – 1965
A cold coming we had of it, Just the worst time of the year For a journey, and such a long journey: The ways deep and the weather sharp, The very dead of winter.’ And the camels galled, sore-footed, refractory, Lying down in the melting snow. There were times we regretted The summer palaces on slopes, the terraces, And the silken girls bringing sherbet. Then the camel men cursing and grumbling And running away, and wanting their liquor and women, And the night-fires going out, and the lack of shelters, And the cities hostile and the towns unfriendly And the villages dirty and charging high prices: A hard time we had of it. At the end we preferred to travel all night, Sleeping in snatches, With the voices singing in our ears, saying That this was all folly.
Then at dawn we came down to a temperate valley, Wet, below the snow line, smelling of vegetation; With a running stream and a water-mill beating the darkness, And three trees on the low sky, And an old white horse galloped away in the meadow. Then we came to a tavern with vine-leaves over the lintel, Six hands at an open door dicing for pieces of silver, And feet kicking the empty wine-skins, But there was no information, and so we continued And arrived at evening, not a moment too soon Finding the place; it was (you may say) satisfactory.
All this was a long time ago, I remember, And I would do it again, but set down This set down This: were we led all that way for Birth or Death? There was a Birth, certainly, We had evidence and no doubt. I had seen birth and death, But had thought they were different; this Birth was Hard and bitter agony for us, like Death, our death. We returned to our places, these Kingdoms, But no longer at ease here, in the old dispensation, With an alien people clutching their gods. I should be glad of another death.
De reis van de drie koningen (vertaling: Martinus Nijhoff)
Het was een koude tocht, en de slechtste tijd van het jaar voor een reis, voor zulk een verre reis. De wegen modderig, het weer guur, de winter op zijn strengst. De kamelen, die hun knieën ontvelden, hun hoeven bezeerden, werden onhandelbaar en legden zich neer in de smeltende sneeuw. Menigmaal dachten we met spijt terug aan onze zomerpaleizen op bloeiende berghellingen, aan meisjes, in zijde gehuld, die gekoelde wijn ronddienden. Onze kameeldrijvers vloekten, kankerden, weigerden dienst, riepen om brandewijn en vrouwen. Onze kampvuren wilden niet branden, onderdak was moeilijk te vinden, de steden waren vijandig, de dorpen stug, de gehuchten smerig en verschrikkelijk duur: het was een ellendige tocht. Tenslotte reisden wij de gehele nacht door, sliepen zo nu en dan langs de wegkant en hoorden gedurig in onze oren zingende stemmen, zeggend: jullie onderneming is waanzin.
Eindelijk, toen het licht werd, daalden we neer in een luw dal, vochtig, onder de sneeuwlijn, geurend naar groeizaamheid; een beek snelde voort, een watermolen karnde het duister, er waren drie bomen onder een bewolkte lucht, en een oud wit paard galoppeerde door een weiland. Wij kwamen bij een herberg met wijngaardranken boven de stoep. Zes handwerkslieden dobbelden bij de open deur om zilverlingen en zes voetknechten schopten lege wijnzakken over de vloer. Maar niemand kon ons inlichtingen verschaffen, en zo gingen we verder, en bereikten des avonds, geen uur te vroeg, de plaats van bestemming; het was (dat mag ik wel zeggen) de moeite waard.
Dit alles is lang geleden, ik heb het onthouden en zou het over willen doen, maar ik stel, dit vooropgesteld, één vraag: was het doel dat ons dreef geboorte of dood? Wij waren getuigen van een geboorte, zeker, daar is geen twijfel aan. Maar als ik vroeger geboorte of dood zag, dacht ik dat ze tegenstellingen waren. Deze geboorte echter was een onverbiddelijk einde voor ons, een dood, onze dood. Wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken, maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen. Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.