
Laatst zag ik Glenn Gould op een bankje zitten. Dat was geen toeval, natuurlijk – ik liep op 250 Front Street West in Toronto, niet ver van waar mijn zoon en zijn vrouw momenteel wonen, waar de Canadese pianist zijn opnamen maakte. Daar zat hij, met zijn bekende dikke handschoenen, en met vorsende ogen die tot in mijn ziel leken te gaan. Ik was zo vrij om erbij te gaan zitten, en hij vroeg me wat mijn favoriete pianomuziek was. Hem kennende zei ik natuurlijk meteen Bach, en wel Zion Hort Die Wachter Singen.
Glenn Gould knikte instemmend. Hij leek me welgezind die namiddag, dus ik waagde het een vraag te stellen. Hou je van jazz? Zijn antwoord verbaasde me niet. ‘Jazeker,’ zei hij; ‘ik had het geluk Keith Jarrett nog te mogen horen, al stoort het me soms dat hij neuriet terwijl hij speelt. En zijn neuriën is niet zo sonoor. Ik doe dat ook, ik kan het niet helpen, maar ik doe het beter. Maar ik hou ook veel van mijn stadsgenoot Oscar Peterson [nu knikte ik instemmend] en Duke Ellington.’ ‘The single petal of a rose‘, riep ik uit, en ‘I’m confessin’ that I love you‘!
Maar Gould had genoeg gepraat, en nu keek hij star voor zich uit. Ik wou hem nog vragen naar Bill Evans, maar knikte beleefd en nam afscheid. Ik had nog een lange reis voor de boeg.
Glenn Gould was een beruchte hypochonder. Hij werd op op 27 september 1982, twee dagen na zijn vijftigste verjaardag, getroffen door een hersenbloeding en opgenomen in Toronto General Hospital. Zijn toestand ging snel achteruit, en Goulds vader besliste om de behandeling te stoppen. Hij werd op 15 oktober 1982 begraven met een dienst in St. Paul’s Anglican Church.
Eens: 26 mei 2025
Ergens: Toronto


