‘Ze geven mist’

Ik weet niet of er nog dialecten zijn waarin ‘geven’ hetzelfde betekent als ‘voorspellen’, maar ik moest eraan denken toen de weervrouw gisteren aankondigde dat er nevel zou zijn in het noorden van het land. ‘Ze geven mist’, zeggen ze dan in Gent, en dan ben ik alert, want nevel maakt een landschap toverachtig mooi. Zoals sneeuw, maar anders; het verbergt storende elementen, maar creëert ook een dromerig sfeertje, alsof er ineens heksen je pad kunnen kruisen. ‘Fair is foul, and foul is fair / Hover through the fog and filthy air,’ zo spraken de heksen Macbeth aan, en we weten dat dat niet goed afliep.

Maar in de buurt van Gent kwam de voorspelling uit (die van de weervrouw, niet van de heksen van Macbeth) – om kwart voor zeven zag ik een mooie nevel vanuit mijn slaapkamerraam, en een uurtje later stond ik al in de Gentbrugse Meersen. 30 procent luchtvochtigheid, maar het sneeuwklokje dacht ongetwijfeld: ‘Voelt aan als honderd procent’.

Eens: 4 maart 2026
Ergens: Gentbrugse Meersen

Riet

Funeral Blues (W.H. Auden)

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message ‘He is Dead’.
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last forever: I was wrong.

The stars are not wanted now; put out every one,
Pack up the moon and dismantle the sun,
Pour away the ocean and sweep up the wood;
For nothing now can ever come to any good.

Eens: 15 februari 2026
Ergens: Destelbergen

Tante Rachel

Soms fiets ik in de Brabantdam in Gent, en als ik dan om de hoek de protestantse kerk zie moet ik altijd denken aan die zeldzame foto die ik heb van mijn vader – een jongen van een jaar of tien, zo schat ik, iele beetjes, met een dasje aan, in de lens kijkend zoals kleine jongens wanneer ze moeten poseren. Mijn vader was een ‘nakomertje’, het leeftijdsverschil met zijn tante moet behoorlijk geweest zijn, maar hoe groot, dat weet ik niet. Om de hoek wat verderop ligt de Abeelstraat, en daar had de familie een slagerij. De foto moet dateren van enkele jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De familie was Vlaamsgezind, en ik hoorde het verhaal nog van mijn vader, dat een bende partizanen na de oorlog het huis wou binnenvallen, en mijn vader, dan al enkele jaren ouder maar nog altijd een tiener, stond klaar om zichzelf en zijn familie te verdedigen. Bevend van schrik en opwinding, zo stel ik het mij voor. Tot iemand uit het verzet – was het de vader van Jacques Dubrulle? – de menigte bedaarde, zeggende dat ze deze mensen met rust moesten laten – ‘het zijn brave mensen’. Maar mijn geheugen kan mij bedriegen.
De zus van mijn vader heb ik ooit gezien in haar winkel in Gent, maar ik wist toen niet dat ze mijn tante was.

Op een gevelversiering staat: SPQG – Senatus Populusque Gandavensis. Het was in die vervlogen tijden niet ongebruikelijk de R te vervangen door de plaatselijke afkorting.

Afscheid van Helena

Dit is een fotoblog. Dus het moet over foto’s gaan. Maar nu moet het ook over Helena gaan, van wie ik in 2004 een foto maakte die technisch niet perfect was, maar die haar weergeeft zoals ik me haar graag herinner. We namen vorige week afscheid van deze opmerkelijke dame.

We ontmoetten jou in 2004, Helena, wij zowel als jij onderdeel van het genootschap van een mooie zomerreis, in de zonovergoten Provence. Op de foto hierboven lijkt het alsof je in de Elyseese velden rondwandelt, onder een uitbundig bloeiende boom op het domein van Monsieur Klein (als ik me zijn naam goed herinner). Als er een plek is als de hemel, dan moet het wel daar zijn, zoals op het dorpsplein van Gigondas, waar we samenzaten op een simpel terras in zo een vrolijk en fijn gezelschap. De platanen filterden het zonlicht, en hun schaduw bracht de verkoeling die koning Xerxes zo dierbaar was – toch in de opera-aria van Händel Ombra mai fu:

Net als wij genoot je van het gezelschap, de fijne sfeer, de speelse kinderen, het prachtige domen van Les Barrenques, en de uitstapjes naar de Ferme aux crocodiles, of naar wijndomein Durban.

Je was ‘une grande dame’, fijnzinnig, moedig en sterk. We zijn blij dat je in ons leven kwam, en we zullen je missen. Tot ergens, in de Elyseese velden. Want zoals we op je uitvaart hoorden: ‘In het huis van mijn Vader zijn veel kamers.’

Herfst


That time of year thou mayst in me behold,
When yellow leaves, or none, or few, do hang
Upon those boughs which shake against the cold,
Bare ruined choirs, where late the sweet birds sang.

Shakespeare, Sonnet 73

Herfst vervult gevoelige zielen met melancholie, met een terugblikken op de vervlogen zomer, zoals Verlaine een droeve, verstikkende viool hoort, en terugblikt op een verleden dat nooit meer terugkeert (Je me souviens/Des jours anciens/Et je pleure). Verlaine laat zich meeslepen door een ‘mauvais vent’, zoals een dood blad.

Dan is R. M. Rilke, die ik zag staan (zijn standbeeld toch) in het Spaanse Ronda, toch andere koek:

Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren laß die Winde los.

Befiehl den letzten Fruchten voll zu sein;
gieb innen noch zwei südlichere Tage,
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süße in den schweren Wein.

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Sta me toe gewoon te genieten van de herfst in Ontario. Het groen maakt plaats voor bruin, geel, oranje en rood, dat laatste vooral van de Red Maple, de iconische boom die Canada haar vlag gaf (de ahornsiroop komt van de Sugar Maple). Na een fikse regenbui in Killarney brak de zon weer door de wolken, en vulde de vallei zich met een prachtige nevel.

Het mooiste licht is tegenlicht, hier gevangen in één blad (misschien een cornus, of kornoelje), tijdens de Cup and Saucer-wandeling op het eiland van de grote Manitou (Manitoulin).

Andere foto’s zijn van Killarney en Mono Cliffs.

The poetry of autumn

Eens: September-oktober
Ergens: Ontario, Canada

Het huisje van mijn grootouders

Ik moet hier laatst binnengegaan zijn in 1980, want in dat jaar overleed mijn grootmoeder. Sindsdien fietste ik hier nog langs, zonder daar veel bij stil te staan. Er was zo veel in dat jonge leven dat mijn aandacht opeiste. Het huisje van mijn grootouders stond tientallen jaren leeg, verkommerde, en werd een bouwval. In 2023 werd het gesloopt, en nu staat er een fraai appartementencomplex; woningen met alle comfort. Maar eens was ik hier kind aan huis, vond ik een veilig onderkomen. Hoe groot leek het toen, hoe klein en schamel was het toen ik het dat jaar nog eens betrad. De vloer en de schakelaars herkende ik nog, maar verder was dit een krot zonder ziel. ‘Wat leefden ze bescheiden toen.’ Eigenlijk drie kamers. Keuken en zitkamer, een logeerkamer, en een slaapkamer. Die logeerkamer was ingericht als cosy corner, en ik bleef er vaak slapen. Toen de jonge echtgenoot van mijn oudste zus om het leven kwam in een verkeersongeval, huilde ik mezelf hier in slaap, en kwam mijn zus, net weduwe geworden, mij troosten. Door het kleine raampje van de keuken/leefkamer gooide mijn grootvader ‘carolientjes’, de voorbode van Sinterklaas, en dat was een wonder. De televisie had een antenne, als je een andere zender wou, moest je binnen aan een kabel trekken. Hier at ik heerlijke aardbeien (uit de tuin) met yoghurt, en zuringstoemp met een zachtgekookt ei. Als een duif uit mijn grootvaders duivenkot ondermaats presteerde, belandde die op ons bord. In de tuin stonden twee Japanse kerselaars, na een ‘Plant een boom’-actie op mijn lagere school, zo rond 1970. Na een zware examenweek in de eerst zit deed ik een goed examen bij Walter Prevenier – Geschiedenis van de historische kritiek – na het schriftelijk het mondeling, en dat ging goed – zeventien op twintig. Ik fietste van de Blandijnberg naar dit huisje, op een wolk, om het goede nieuws te verkondigen.

Zolang er iets overblijft van ons verleden, is het er nog, ook al is dat verleden onherroepelijk voorbij. Kort nadat mij grootmoeder overleed ging ik nog eens binnen in haar huisje – haar man was toen al vijf jaar dood. Ineens was het huisje koel en doods, en het zei me niets meer. Maar nu het helemaal verdwenen is, nu zelf de plaats niet meer herkenbaar is, zit dat huisje alleen nog in mijn hoofd. Tot ik er niet meer zal zijn. Dan is het ook daar verdwenen. Net als de Japanse kerselaars.

Eens: 3 mei 2023
Ergens: Destelbergen

Mister Gould

Laatst zag ik Glenn Gould op een bankje zitten. Dat was geen toeval, natuurlijk – ik liep op 250 Front Street West in Toronto, niet ver van waar mijn zoon en zijn vrouw momenteel wonen, waar de Canadese pianist zijn opnamen maakte. Daar zat hij, met zijn bekende dikke handschoenen, en met vorsende ogen die tot in mijn ziel leken te gaan. Ik was zo vrij om erbij te gaan zitten, en hij vroeg me wat mijn favoriete pianomuziek was. Hem kennende zei ik natuurlijk meteen Bach, en wel Zion Hort Die Wachter Singen.

Glenn Gould knikte instemmend. Hij leek me welgezind die namiddag, dus ik waagde het een vraag te stellen. Hou je van jazz? Zijn antwoord verbaasde me niet. ‘Jazeker,’ zei hij; ‘ik had het geluk Keith Jarrett nog te mogen horen, al stoort het me soms dat hij neuriet terwijl hij speelt. En zijn neuriën is niet zo sonoor. Ik doe dat ook, ik kan het niet helpen, maar ik doe het beter. Maar ik hou ook veel van mijn stadsgenoot Oscar Peterson [nu knikte ik instemmend] en Duke Ellington.’ ‘The single petal of a rose‘, riep ik uit, en ‘I’m confessin’ that I love you‘!

Maar Gould had genoeg gepraat, en nu keek hij star voor zich uit. Ik wou hem nog vragen naar Bill Evans, maar knikte beleefd en nam afscheid. Ik had nog een lange reis voor de boeg.

Glenn Gould was een beruchte hypochonder. Hij werd op op 27 september 1982, twee dagen na zijn vijftigste verjaardag, getroffen door een hersenbloeding en opgenomen in Toronto General Hospital. Zijn toestand ging snel achteruit, en Goulds vader besliste om de behandeling te stoppen. Hij werd op 15 oktober 1982 begraven met een dienst in St. Paul’s Anglican Church.

Eens: 26 mei 2025
Ergens: Toronto

Christus overwint

(Sint-Anna wordt een supermarkt)

Links: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. (Openbaring 1:8); rechts: Jezus Christus overwint.

Op een warme dag in april werden de deuren van de Sint-Annakerk nog eens geopend – niet voor de gelovigen, want er vinden al lang geen erediensten meer plaats en al in 2014 besliste het bisdom van Gent om de kerk te ontwijden – maar voor iedereen, gelovig of niet, die de kerk nog eens wou zien voor het een supermarkt wordt. Want de kerk wordt voor 99 jaar in erfpacht gegeven en zal, na grondige restauratiewerken, een buurtwinkel of supermarkt van Delhaize worden. Al moet er wel nog een uitbater gevonden worden.

De kerk uit de tweede helft van de negentiende eeuw is gebouwd in de eclectische stijl die toen in de mode was. Binnen vind je fraai beschilderde wanden in warme, dieprode tinten, en ook dit Byzantijns symbool: IC XC NI KA. IC XC zijn de eerste en laatste letters van ‘Jezus Christus’ in het Grieks. Nika betekent: ‘overwint’ – we kennen het van Nikè van Samothrake in het Louvre, dat de overwinning voorstelt, en van het sportschoenenmerk Nike voor wie een tweede plaats een nederlaag is – you don’t lose the silver, you lose the gold.
Westerse gelovigen zijn meer vertrouwd met de lijdende Jezus dan met de veroveraar, maar de boodschap kennen we wel: we moeten vechten tegen de duisternis om de kwade krachten te overwinnen. Maar hier, op deze plek, krijgt de commercie de bovenhand.
Jezus heeft de handelaren en geldwisselaars uit de tempel gejaagd, maar nu deze kerk geen oord van gebed meer is, kan het een plaats worden waar mensen inkopen kunnen doen, op restaurant gaan en een glaasje nuttigen in de wijnbar. En elkaar vergeven en liefhebben, wie weet. Af en toe kan het orgel nog eens weergalmen.

Dank aan Delhaize om de kerk nog eens open te stellen, en voor het gratis water. Is de dorstigen laven geen werk van barmhartigheid?

Eens: 3 april 2025
Ergens: Sint-Annakerk Gent

De kikkers die een koning wilden

Toen ik mij nog moest buigen over oude gedichten (ik had een prof die een grote liefheber was van de romantic poets), leerden we een stukje Byron:

Ah, how much happier were good Æsop’s Frogs
Than we! for ours are animated Logs,
With ponderous malice swaying to and fro,
And crushing nations with a stupid blow,
All dully anxious to leave little work
Unto the revolutionary Stork.

De kikkers zijn hun saaie bestaan wat beu, en ze willen een koning, één waar ze kunnen naar opkijken. Een stuk hout dat Jupiter (of Zeus) hen toegooit kan maar tijdelijk bekoren, maar uiteindelijk worden hun gebeden verhoord: ze krijgen een vogel met een grote bek als koning – reiger, ooievaar of kraanvogel, zoiets. En die begint de kikkers één voor één op te eten. Dat ‘revolutionairy stork’ is blijven hangen in mijn hoofd.

De fabels van Aesopus waren ook een inspiratie voor Jean de la Fontaine. Nieuw is niet altijd beter.

Le Monarque des Dieux leur envoya un Grue,
Qui les croqua tout vifs, et grenouilles et grelots.
Ce second Roi leur fit bien voir
Qu’il ne faut jamais que l’on veuille
Quitter l’ancien pour le nouveau,
Quand chaque jour amène un pire au lieu d’un mieux.

De moraal van het fabeltje is duidelijk: kijk uit waar je naar verlangt, het zou je maar eens ten deel kunnen vallen. Toen ik wat opzocht over Aesopus, vond ik nog een andere fabel (De wolf en het lammetje), en die is misschien nog relevanter in deze onthutsende tijden:

A hungry Wolf one day saw a Lamb drinking at a stream, and wished to frame some plausible excuse for making him his prey. “What do you mean by muddling the water I am going to drink?” fiercely said he to the Lamb. “Pray forgive me,” meekly answered the Lamb; “I should be sorry in any way to displease you, but as the stream runs from you towards me, you will see that such cannot be the case.” “That’s all very well,” said the Wolf; “but you know you spoke ill of me behind my back a year ago.” “Nay, believe me,” replied the Lamb, “I was not then born.” “It must have been your brother then,” growled the Wolf. “It cannot have been, for I never had any,” answered the Lamb. “I know it was one of your lot,” rejoined the Wolf, “so make no more such idle excuses.” He then seized the poor Lamb, carried him off to the woods, and ate him.

Eens: Ongedateerd (enkele jaren geleden)
Ergens: In mijn tuin

Ozymandias – Rome, 2014

Denkend aan de Boulevard des Américains aan de Gazaanse Rivièra, komt dit beeld mij voor de geest: “My name is Ozymandias, King of Kings: Look on my works, ye Mighty, and despair!”

In 1818 ging P. B. Shelley een competitie aan met zijn vriend en mededichter Horace Smith. Ze zouden elk een gedicht schrijven over farao Ramses II. Rond die tijd was een deel van een kolossaal beeld van de Egyptische heerser naar Londen gebracht. Mocht Shelley vandaag leven, hij had een aanklacht kunnen maken tegen kolonialisme of tegen kunstroof, maar hij kwam met iets anders op de proppen: een sonnet dat wijst op de vergankelijkheid van aardse macht.

Ozymandias

I met a traveller from an antique land
Who said: Two vast and trunkless legs of stone
Stand in the desart. Near them, on the sand,
Half sunk, a shattered visage lies, whose frown,

And wrinkled lip, and sneer of cold command,
Tell that its sculptor well those passions read
Which yet survive, stamped on these lifeless things,
The hand that mocked them and the heart that fed:

And on the pedestal these words appear:
“My name is Ozymandias, King of Kings:
Look on my works, ye Mighty, and despair!”

No thing beside remains. Round the decay
Of that colossal wreck, boundless and bare
The lone and level sands stretch far away.

Ik heb geen foto van Ramses II. Ik heb er wel één van Nerva en één van de eerste Romeinse keizer, Augustus. We stonden de beelden van de Romeinse keizers te bekijken op de Via dei Fiori Imperiali in Rome, en ik vroeg mijn kinderen waarom Caesar niet beschouwd kon worden als de eerste keizer. Het antwoord was simpel: omdat Augustus de eerste keizer was. Er kan maar één de eerste zijn. (Waarom ik Nerva, de twaalfde keizer, fotografeerde is mij een raadsel; misschien dacht ik dat het Caesar was.) Later zagen we nog standbeelden van Romeinse keizers in de Provence, meerbepaald in het theater van Orange. Daar hoorde ik dat de Romeinen een pragmatische kijk hadden op roem en glorie. Beelhouwateliers maakten in grote reeksen beeldhouwwerken van mensen in een keizerachtige pose en klederdracht, maar zonder hoofd, en verscheepten die naar alle hoeken van het keizerrijk. Daar werd er dan een bijpassend hoofd op gezet, dat snel kon verwisseld worden als een keizer uit de genade was gevallen, de geest had gegeven of vermoord werd.

Eens: 14 april 2014
Ergens: Rome, Via dei Fori Imperiali