December 2024, kort voor Kerstmis. Het was erg koud, maar de zon was net opgekomen en verlichtte de grot van Oostakker-Lourdes. Op weg hiernaartoe sprak een man in een soutane me aan. Hij vertelde van het wonder dat hier honderdvijftig jaar geleden geschiedde: acht jaar nadat Pieter De Rudder van Jabbeke het linker scheen- en kuitbeen had gebroken, ging hij al strompelend op bedevaart naar Oostakker-Lourdes. Hij zakte neer op een van de banken naast het beeld van de biddende Bernadette Soubirous, het jonge meisje dat in 1854 de mysterieuze woorden hoorde zeggen in de echte grot van Lourdes: Je suis l’Immaculée Conception (*). Pieter riep de heilige maagd aan en was terstond genezen.
Toen – in op 20 december 2024 welteverstaan – kwamen twee vrouwen aangefietst, één van hen – de jongere – kwam water tappen, maar helaas; er kwam geen water uit het kraantje. Waar er in het echte Lourdes een bron ontspringt, komt het heilig water hier gewoon uit de openbare waterleiding. Onbegrip – hoezo, geen water? Misschien was deze vrouw wel extra vroeg opgestaan om hier water te komen tappen. Ik opperde dat men misschien de watertoevoer had dichtgedraaid omdat het vroor en omdat men de kranen niet wou laten stukvriezen. Ontgoocheling, en dan een duidelijk ‘nondedju’, en weg fietsten zij. Zonder water. Wisten zij wat in Exodus staat geschreven: ‘Gij zult den Naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt’?
Mochten ze jonger geweest zijn, ze hadden misschien OMG geroepen, of jasses of iets anders dat de harde woorden wat omfloerst, maar ik zou toch denken dat zulks nog altijd valt onder ‘ijdel gebruik’.
* Ik kende een gelovige die ervan overuigd was dat een eenvoudig meisje als Bernadette de woorden ‘immaculée conception’ niet kon gekend hebben. Dus sprak ze de waarheid: Maria was aan haar verschenen, met een voor haar onbegrijpelijke boodschap.
Het Christendom lijkt echt wel een religie van het lijden te zijn. Wellicht ook daarom dat kapelletjes zo lang zo populair zijn geweest, als plek waar je kon praten met God, met een heilige, of met Maria over je eigen lijden, zonder je de kop te moeten breken over die onmenselijke religie die je vraagt de andere wang aan te bieden als iemand je slaag geeft, meer zelfs, die je opdraagt lief te hebben wie je pijn doet.
Als je de deur van dit kapelletje openduwt zie je één van de zeven smarten van Maria, de vrouw die gelaten haar opdracht aanvaardt terwijl haar ook gezegd wordt dat een zwaard haar hart zal doorboren (Lucas 2). Alleen in Johannes lezen we dat Maria aanwezig was toen haar zoon aan het kruis werd genageld (Johannes 19), maar we lezen nergens dat ze Jezus op de schoot neemt, in de meest moederlijke van alle poses. Toch is dit een van de Zeven Smarten van Maria.
Eens: december 2024 Ergens: Kapel van Zeven Smarten, Massemen
In 2025 was ik, na bijna vijftig jaar, nog eens in Pisa, waar ik de tijd – niet verloren, alleen vergane tijd – achterna holde. Ik zocht er niet alleen een muur met een regenpijp en een getralied raam, maar ook een detail van de bronzen poort van de dom, waar de drie wijzen uit het Oosten, of koningen, op staan. De dom was betalend, maar de poort mocht ik wel gratis fotograferen. De foto lijkt dezelfde, maar toch; links zie je het bas-relief van het eind van de jaren 70, rechts een kopie. De poorten van de dom staan nu in het museum en zijn vervangen door een kopie.
Over de barre tocht van de drie koningen schreef T.S. Eliot een indrukwekkend gedicht, kort na zijn toetreding tot de Anglikaanse kerk. Na een zware reis hebben ze de plaats gevonden – Finding the place; it was (you may say) satisfactory. En toch heeft deze tocht hun leven veranderd. In hun oude wereld waren ze niet meer thuis. Zoals collega-dichter Yeats, in een andere context, zou schrijven: all changed, changed utterly – a terrible beauty is born.
Journey of the Magi T. S. Eliot 1888 – 1965
A cold coming we had of it, Just the worst time of the year For a journey, and such a long journey: The ways deep and the weather sharp, The very dead of winter.’ And the camels galled, sore-footed, refractory, Lying down in the melting snow. There were times we regretted The summer palaces on slopes, the terraces, And the silken girls bringing sherbet. Then the camel men cursing and grumbling And running away, and wanting their liquor and women, And the night-fires going out, and the lack of shelters, And the cities hostile and the towns unfriendly And the villages dirty and charging high prices: A hard time we had of it. At the end we preferred to travel all night, Sleeping in snatches, With the voices singing in our ears, saying That this was all folly.
Then at dawn we came down to a temperate valley, Wet, below the snow line, smelling of vegetation; With a running stream and a water-mill beating the darkness, And three trees on the low sky, And an old white horse galloped away in the meadow. Then we came to a tavern with vine-leaves over the lintel, Six hands at an open door dicing for pieces of silver, And feet kicking the empty wine-skins, But there was no information, and so we continued And arrived at evening, not a moment too soon Finding the place; it was (you may say) satisfactory.
All this was a long time ago, I remember, And I would do it again, but set down This set down This: were we led all that way for Birth or Death? There was a Birth, certainly, We had evidence and no doubt. I had seen birth and death, But had thought they were different; this Birth was Hard and bitter agony for us, like Death, our death. We returned to our places, these Kingdoms, But no longer at ease here, in the old dispensation, With an alien people clutching their gods. I should be glad of another death.
De reis van de drie koningen (vertaling: Martinus Nijhoff)
Het was een koude tocht, en de slechtste tijd van het jaar voor een reis, voor zulk een verre reis. De wegen modderig, het weer guur, de winter op zijn strengst. De kamelen, die hun knieën ontvelden, hun hoeven bezeerden, werden onhandelbaar en legden zich neer in de smeltende sneeuw. Menigmaal dachten we met spijt terug aan onze zomerpaleizen op bloeiende berghellingen, aan meisjes, in zijde gehuld, die gekoelde wijn ronddienden. Onze kameeldrijvers vloekten, kankerden, weigerden dienst, riepen om brandewijn en vrouwen. Onze kampvuren wilden niet branden, onderdak was moeilijk te vinden, de steden waren vijandig, de dorpen stug, de gehuchten smerig en verschrikkelijk duur: het was een ellendige tocht. Tenslotte reisden wij de gehele nacht door, sliepen zo nu en dan langs de wegkant en hoorden gedurig in onze oren zingende stemmen, zeggend: jullie onderneming is waanzin.
Eindelijk, toen het licht werd, daalden we neer in een luw dal, vochtig, onder de sneeuwlijn, geurend naar groeizaamheid; een beek snelde voort, een watermolen karnde het duister, er waren drie bomen onder een bewolkte lucht, en een oud wit paard galoppeerde door een weiland. Wij kwamen bij een herberg met wijngaardranken boven de stoep. Zes handwerkslieden dobbelden bij de open deur om zilverlingen en zes voetknechten schopten lege wijnzakken over de vloer. Maar niemand kon ons inlichtingen verschaffen, en zo gingen we verder, en bereikten des avonds, geen uur te vroeg, de plaats van bestemming; het was (dat mag ik wel zeggen) de moeite waard.
Dit alles is lang geleden, ik heb het onthouden en zou het over willen doen, maar ik stel, dit vooropgesteld, één vraag: was het doel dat ons dreef geboorte of dood? Wij waren getuigen van een geboorte, zeker, daar is geen twijfel aan. Maar als ik vroeger geboorte of dood zag, dacht ik dat ze tegenstellingen waren. Deze geboorte echter was een onverbiddelijk einde voor ons, een dood, onze dood. Wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken, maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen. Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.
‘Een ellendige Novemberavond, met een motregen die de dappersten van de straat veegt. En mijn stamkroeg ligt, helaas, te ver in ’t Westen om op te tornen tegen dat kille gordijn.’
Aldus begint Het Dwaallicht, en de tocht die Laarmans, Elsschots alter ego, met zijn drie metgezellen – omschreven als rijstkakkers en als zwartjes – die hij op sleeptouw neemt, op zoek naar de schier mythische Maria Van Dam, of Fathma, of gewoon de vrouw die met alle drie een rendez-vouw zou hebben, maar die onvindbaar is. Bestaat ze wel?
Het is 14 december 2024, tien uur ’s morgens. Vier graden, voelt aan als min één, en de motregen wisselt af met een snijdende oostenwind, als mijn fotografiebuddy P. lichtjes ontwaart voorbij een bruggetje naar Het Eilandje. Kijk, een café dat open is! Het is zowaar Estaminet Het Licht der Dokken, een naam die zo zou kunnen voorkomen in een roman van Elsschot. Het heeft een ruim terras, maar daar is het nu het weer niet voor, dus wij laten ons binnen vergasten, met een cafébazin die voor mij Maria Van Dam is. Het is duidelijk: dit is een soort bruin café. Geen latte macchiato’s of cappucino met havermelk, maar wel gewone (en lekkere) koffie en thee, desnoods, op aanvraag een kopje Roycosoep. Er klinkt tijdloze muziek in Het Licht der Dokken, toepasselijk Who’ll stop te rain, en iets van de Rolling Stones. Maria Van Dam is van de verbindende soort, ze is Antwerpse maar ze vindt Gent ook een leuke stad. Nog niet zo lang geleden ging ze naar Stef Bos luisteren in Vooruit – excuus: VierNulVier.
Wij – op stap zonder onze leerkracht, dus is het altijd wat tasten in het duister – waren naar iets anders op zoek, iets minder ongrijpbaar: mooie beelden van Het Eilandje voor de lessen Architectuurfotografie. Het soort mensen dat in deze buurt de barre elementen trotseert, en dus stante pede op zoek gaat naar het Havenhuis, intussen een ijkpunt in de haven van Antwerpen, ontworpen door de Brits-Iraakse architecte Zaha Hadid. Ik was blij dat er toch iemand mijn mening deelde, dat dit géén geslaagd ontwerp is. Ik vind het niet mooi om twee redenen. Ten eerste moet architectuur oog hebben voor de bestaande omgeving, en in dit ontwerp wordt wel beweerd dat het hier gaat om een opmerkelijke confrontatie tussen een oud en beschermd gebouw (een brandweerkazerne) en een ontwerp dat refereert aan een schip (dus: de haven) en aan de facetten van een diamant (dus: Antwerpen). Welnu, dat mag allemaal wel kloppen, maar ik vind het gebouw zwaar en dominant. Het verdrukt het oude gebouw dat gebukt gaat onder zoveel m’as-tu-vu. En ten tweede sta ik argwanend tegenover architectuur die uiting moet geven aan hoeveel geld, aanzien of macht de opdrachtgever heeft. Fernand Huts is bij deze gewaarschuwd. Maar intussen levert het wel fraaie plaatjes op.
De snijdende wind veegde de dappersten in de armen van de cafébazin van Het Licht der Dokken. “En wat Maria en Fathma betreft, laten wij niet wanhopen, want de wil des Heeren is immers ondoorgrondelijk.”
Eens: 14 december 2024 Ergens: Het Eilandje, Antwerpen
Zie me hier eens zitten, zo zie ik deze man denken. Hij stut het voetstuk van een nis, die een beeld had moeten huisvesten maar nu nog altijd vacant is. ‘Het geld was op,’ denkt hij ongetwijfeld. De Lakenhalle werd aan het Gentse belfort gebouwd tegen het einde van de vijftiende eeuw, maar deze cul-de-lampe of kraagsteen kan niet zo oud zijn. Daarvoor ziet deze figuur – iemand met een papierrol – er te weinig verweerd uit. Wellicht een creatuur uit de tijd van de grote restauratie denk ik, eind 19de eeuw. Hij kijkt met verbazing naar het gewoel onder hem, weg van de kathedraal, richting Korenmarkt en Veldstraat, het commerciële hart van de stad. Hij zag de straten vollopen met auto’s, die het Sint-Baafsplein gebruikten als parkeerplaats, en zag de auto dan weer de stad verlaten. Hij zag twee wereldoorlogen voorbijkomen, en laatst nog een recente revolutie, die Gent uitriep tot een vrijstaat van licht en liefde. ‘We hebben de pastoors door de voordeur weggejaagd, en nu komen zo door de achterdeur weer binnen.’ Dàt zie ik hem denken.
Zorgvuldig je compositie kiezen, wachten tot er niemand in de weg loopt – en dan zo’n prachtige rode kop haren missen. En dat allemaal om een foto van bijna 50 jaar geleden opnieuw te maken.
Ik dacht lange tijd dat ik nooit op de scheve toren van Pisa heb gestaan. Gewoon omdat ik mij daar niets van kan herinneren. Maar op een oude foto zie ik mijzelf – met wit T-shirt, een jaar of zestien – staan, op de rug gefotografeerd (door mijn moeder, neem ik aan), op die beroemde, sierlijke toren. Mijn herinneringen zijn dus zeer fragmentair én onbetrouwbaar. Ze betreffen details, losse flodders, zoals een fikse lenteregen in Florence, of een hand met een grote ring die een hek vastklemt (op één of andere manier weet ik nog dat dat het voor de bronzen poorten van Ghiberti’s baptisterium is, nog zo’n miracolo). Ik herinner me ook nog dat een schoolvriend – Gino L. – me vertelde dat hij jaloers was dat ik zulk een reis ging maken.
De foto’s tonen Pisa, Firenze, Rome (met het Piazza del Populo vol auto’s!) en Venetië, maar ik heb het gevoel dat de essentie van deze reis mij ointsnapte. De details (hoe reisden we? waar logeerden we? wat zagen we? hoe was het ontbijt?), maar ook dieper – hoe komt het dat mijn moeder deze reis met mij maakte?
Zijn mijn herinneringen het gevolg van de weinige foto’s die ik nog heb? Toch zijn er flarden die blijven hangen zijn zonder een foto. Een gids vertelde het verhaal van de plaatsing van de obilisk in 1586 op het plein voor de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Deze delicate operatie moest op bevel van de paus in absolute stilte uitgevoerd worden. Een zeeman uit San Remo zag dat de touwen verhitten en dreigden te knappen en doorbrak de stilte, tegen de orders in. ‘Maak de touwen nat!’ riep hij. Dat redde de situatie. Ik hoor het in mijn herinnering nog weergalmen op het stille plein: ‘Aqua alle corde!’, hoewel het wellicht ‘Daghe l’àiga ae corde! (Ligurisch) zal geweest zijn. Als het hele verhaal tenminste niet apocrief is. Maar het gaat hier om mijn herinnering.
Laatst waren we nog eens in Italië. Vliegen naar Pisa, wandelen naar het centraal station aldaar, met de trein naar Cinque Terre, en daarna naar Lucca en als afsluiter Pisa. Van het station naar Hotel Caffè Verdi, en dan naar de Piazza dei Miracoli. Massa’s volk, hoewel het eind oktober was. Ik ging er op zoek naar iets. Niet de scheve toren, niet de duomo of het battisterio, maar een raam in een fel-okerkleurige muur. Het raam dat ik als tiener had gefotografeerd in de jaren zeventig. Ik had het teruggevonden met Google Street View. Een strakke geometrische compositie die me als tiener moet opgevallen zijn. Ik zag het raam, maar de regenpijp ernaast was verplaatst. De zon ging bijna onder en lichtte een andere kant van de muur op, met een vergelijkbaar raam, dat ik wilde vastleggen, deze keer digitaal. Ik maakte mijn compositie, en wachtte… wachtte… tot de zon goed zat en er niemand voor de lens liep. Mijn bedrijf ontlokte mijn vrouw de opmerking dat als er duizend mensen naar de wondermooie bouwwerken op de Piazza dei Miracoli kijken en één met zijn rug daar naartoe staat om een raam te fotograferen, dat ik dat dan ben.
Pisa, ca. 1975. Achter mij, de dom en het baptisterium.
Ik maakte verschillende opnamen, en mijmerde wat over bijna vijftig jaar geleden en nu, wat ik nog wist en terug had gevonden, en wat er al niet veranderd was. Toen ik thuisgekomen mijn foto’s op de computer bekeek, zag ik dat ik ‘een prachtig ‘moment décicif’ (zoals Henri Cartier-Bresson dat precies benoemt) gemist had. Een vrouw kwam voor mijn lens lopen met haren in precies dezelfde kleur als de muur. Had ik daar oog voor gehad, ik had ze meer prominent in beeld gebracht. Ik was zo obsessief bezig met het reconstueren van het verleden dat ik het nu-moment miste. Zoals mijn godsdienst- en estheticaleraar Jef Lambert, een priester met de allures van John F. Kennedy, placht te zeggen: Maak van elk nu-moment een monument. De Deense filosoof Sören Kierkegaard schreef iets in dezelfde zin: Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd.
O ja, voor ik het vergeet:
Vliegen met Ryanair Brussel-Pisa. Cinque Terre Express naar Vernazza. Overnachten in een appartement in Via Roma (of was het Via Visconti?) Trein naar Lucca, overnachten in Vicolo San Pierino nummer 8. Trein naar Pisa, overnachting in Hotel Caffè Verdi en terug te voet naar de luchthaven. Wie er bij was, dat vergeet ik nooit. Toch in geen vijftig jaar.
Eens: 28 oktober 2024 Ergens: Pisa
Bovenaan: Pisa, Lucca, Vernazza en Manarola; onderaan Rome, Firenze, Venetië en Pisa in de tweede helft van de jaren 70. Amper toeristen. Het Piazza del Populo in Rome staat vol auto’s.
In juni bezocht ik het Burreken voor de derde keer. De zon scheen op het graan dat gerst bleek te zijn. Een graanveld ‘als wiegende zeeën’ zoals de gelegenheidsdichter Willem Gijssels (1875 – 1945) schreef, maar het deuntje herinner ik mij niet meer. Wat me vandaag wel voor de geest komt, is The Fields of Gold (1993) van Gordon Sumner, beter bekend als Sting;
You’ll remember me when the west wind moves Upon the fields of barley You’ll forget the sun in his jealous sky As we walk in fields of gold.
En vandaar gaat het naar het verre Ierland, naar de ballde van een andere Joyce (Robert Dwyer Joyce) The Wind that Shakes the Barley. Een jonge rebel offert de relatie met zijn geliefde op om te gaan vechten tegen de Engelsen. De Ierse nationalisten droegen gerst in hun broekzakken als proviand voor onderweg. Dat gerst werd na de opstand van 1798 gezaaid in de ‘croppy holes’, de massagraven van gesneuvelden, en kwam elke lente weer tot leven. Het werd het symbool van de Ierse vrijheidsstrijd. En zo kom je meteen weer bij het Vlaanderen van Gyssels, en de lijken ‘als zaden in het zand, wachtend op de oogst o Vlaanderenland’.
A bullet pierced my true love’s side, In life’s young spring so early, And on my breast in blood she died While soft winds shook the barley! (…)
And ’round her grave I wander drear, Noon, night, and morning early, With breaking heart whene’er I hear The wind that shakes the barley
Elf november 1918, elf november vandaag. Nooit meer oorlog? Eeuwen geleden ging ik betogen tegen kruisraketten, maar nu denk ik aan mijn grootvader-vuurkruiser, aan Paths of Glory, aan generaal Dossin, en aan zovelen die vandaag alleen maar kunnen dromen van vrede.
Si vis pacem, para bellum: als je vrede wilt, bereid je dan voor op oorlog
Ik had het niet gezien toen ik de foto nam – maar toen ik het resultaat zag, moest ik denken aan Tsjechov, en aan De dame met het hondje. Ik weet het, het klopt niet, hier loopt een koppel, en niets doet vermoeden dat deze man en vrouw gebukt gaan onder het Tsjechoviaanse lijden – een persoonlijk drama zonder dat er op het einde van het verhaal enkele doden te betreuren zijn. Verder loopt de hond op de foto aan de leiband, wat in het kortverhaalniet het geval is.
‘Toen hij in het café bij Verne zat, zag hij er een jeugdig uitziende dame die langs de boulevard kwam aangewandeld, een blonde vrouw van tamelijk kleine gestalte met een baret op het hoofd; zij werd gevolgd door een witte keeshond’.
De vertaler, Charles B. Timmer, maakt er een keeshond van. In de Engelse vertaling is dat a white Pomeranian, ook een soort keeshond van Duitse origine (Pommeren). Omdat ik geen Russisch kan lezen, moet ik een beroep doen op ChatGPT, maar ik twijfel eraan of AI wel zo betrouwbaar is in deze zaken. Het origineel zou dan luiden:
Belaya shpitsevataya sobachka bezhala vperedi – A little white Spitz-like dog was running ahead.
Ik herken dus wel een Spitz of Spits, familie van dezelfde hondenstam, maar het verband met een keeshond zie ik er niet in. Een keeshond is genoemd naar Cornelis de Gijselaar, leider van de Patriotten die in de achttiende eeuw een keeshond als symbool hadden (hun orangistische tegenstanders hadden een mopshond). En de naam Cornelis betekent ‘de gehoornde’, cornuto dus, en een keeshondje zou in dit verhaal van een overspelige relatie wel goed passen. Dmitri ergert zich aan zijn echtgenote, en is haar doorlopend ontrouw. In het verhaal zijn zowel Dmitri Dmitrisj Goerow als Anna Sergejewna ongelukkig getrouwd. Ze beginnen een relatie, en Dmitri denkt dat het wel vlug voorbij zal gaan, zoals bij al zijn vorige veroveringen, en dat waren er blijkbaar heel wat. Maar het gaat niet over. ‘En eerst nu zijn haar begon grijs te worden, was hij gaan liefhebben, echt en zuiver – voor de eerste maal in zijn leven’.
Je voelt het aankomen, ook omdat je weet dat dit Tsjechov is: dit kan niet goed aflopen. De schrijver biedt geen oplossing. ‘Kom, laten we nu de hoofden bij elkaar steken, misschien vinden we er wel wat op.’ Of dat ook gebeurt, komen we niet te weten.
Eens: 23 september 2024 Ergens: Clemenspoort, Gent
Mijn grootmoeder, Marie, waakt over mijn bijenhotelletje. Na de windstoten die het einde van de zomer aankondigden, waren enkele herstelwerkzaamheden aangewezen, en ook de op steen gedrukte foto van Marie, die haar graf sierde, werd even afgestoft. O, dacht ik, kon mijn grootmoeder even, heel even maar, weer tot leven komen.
Dan zou ze zeggen: ‘Dag jongen, hoe gaat het met je? Wat een mooie tuin heb je. In de lente zie ik de seringen bloeien, dan de hortensia’s daar, en de hele zomer door, links van mij, die mooie rozen.’
Dan zou ik antwoorden: ‘Dag mémé (oma was in onze tijd en onze buurt niet gangbaar). Ja, dat is de roos Sweet Juliette, zoals Julia bij Shakespeare, die zeker weet dat een roos net zou lekker zou geuren als ze een andere naam had.’
Marie: ‘Shakespeare? Maar die Julia heeft wel gelijk. De bloem die wij roos noemen, geurt heerlijk, hoe wij ze ook benoemen. What’s in a name? Je vader zei het ook al.’
Ik: ‘Zo is dat mémé. Trouwens, het gaat goed met me. Stel je voor: volgende week met pensioen! Ik heb heel mijn leven geluk gehad.’
Marie: ‘Ik weet het jongen. En bedankt voor de mooie hibiscusbloem. Ik zie trouwens dat je nog de sokken draagt die ik voor je heb gebreid.’
Natuurlijk, Marie, geboren in 1900 in een gezin met 21 (!) kinderen en overleden in 1980, weet nu alles en ziet alles. Zelfs de sokken, meer dan 50 jaar geleden gebreid. Dat ik nu twee verschillende sokken draag, zegt ze beleefdheidshalve niet.
Ik hou er van om met de doden een praatje te maken. Vooral dan met mijn vader, meer dan met mijn moeder, die net vandaag – Vive Marie, de naamdag van mijn grootmoeder – 101 jaar geleden werd geboren. Met haar heb nooit zo over ideeën, over politiek, kunst, of reizen gepraat zoals met mijn vader. Een groot voordeel van een gesprek met een dode, is dat je het gesprek volledig in eigen hand hebt. Ik ben dan zelf een alwetende verteller én een personage. Je begint met een anekdote, en dan geef je het verhaaltje een eigen draai.
Pierre Plum herinnerde mij op Facebook aan de anekdote over Verlaine en Kloos, die lunchten in Den Haag, omringd door een troep bewonderaars die geen woord van de literaire goden wilden missen, zeker niet wanneer Verlaine zich naar Kloos boog en men de onsterfelijke woorden hoort ‘Monsieur Klooze, aimez-vous la salade?’. Mijn vader had dit zeker schitterend gevonden, en ik durf te wedden dat hij zou zeggen dat hij, ook, een God was in het diepst van zijn gedachten.
Laatst raakte ik weer aan de praat met mijn vader. Augustus is, zoals iedereen weet, de maand om de hagen te scheren. Ga je de haagbeuken of buxussen te vroeg te lijf, dan loop je het risico dat de planten weer aan het schieten gaan, wat geen gezicht is. Als laatste was de taxus aan de beurt. Waar iedereen in de buurt lawaaierig gereedschap gebruikt, scheer ik het liefst met de hand – het maakt minder herrie en de haag wordt fijner geknipt. Als ik dat alles dan aan mijn vader vertel, komt hij zeker op de proppen met die keer dat hij in zijn geliefde Italië naar de kapper ging, en dat die barbiere achteraf parmantig zegt: Ziezo signore, het is klaar, en; niente macchina – alles met kam en schaar, een tondeuze komt er bij mij niet in. Dan zie ik mijn vader met zijn hand door zijn denkbeeldige haardos gaan, en dan voegt hij eraan toe, met de zelfrelativerende humor hem eigen: ‘Maar misschien had hij het beter toch con macchina gedaan’.
Leuke babbels in mijn hoofd zijn dat, al mis ik heel hard de echte gesprekken met mijn vader.