Herman Jaconds had het op Facebook over (o.a.) Anton Deelder. Ik kende de man enkel van naam, en toen ik een foto van hem zag met zijn kenmerkende zonnebril dacht ik: Ach ja, die.
Toen ik vanmorgen de zon zag opkomen, moest ik aan een gedicht van hem denken dat ergens heel groot in een tunnel in Rotterdam te lezen is.
‘Daarom lieve Ari Wees niet bang
De wereld draait rond en dat doettie nog lang’
En van het één komt het ander, van Deelder naar Nescio:
‘De rivier is sedert naar het Westen blijven stromen en de menschen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog. Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.’
Er zouden 175 bruggen over de Seine zijn – niet dat ik ze geteld heb – waarvan 37 in Parijs. De Pont Neuf moet wel de bekendste zijn. Of het bruggetje hierboven meegerekend is, blijft een onbeantwoorde vraag. Ze bevindt zich technisch gezien in Parijs, aangezien de Franse hoofdstad in 1864 het stukje natuur kocht in de Côte-d’Or, ten noordwesten van Dijon, waar de Seine ontspringt. Het is een schattig bruggetje, dat zelfs een naam heeft: Pont Paul Lamarche 1902-2003.
Er stroomt veel water onder de bruggen van de Seine, en zoals de Engelsen zeggen: Water under the bridge – je kunt niet veranderen wat gebeurd is, maak je er geen zorgen over, het water stroomt toch naar zee.
Vlakbij is er een Gallisch-Keltisch heiligdom gewijd aan de godin of nimf Sequana. Op de weg zie je een bord naar Alesia. Wie zijn klassiekers kent, weet dat Assurancetourix het bestaan van deze plaats steeds ontkend heeft: ‘Personne ne sait où se trouve Alesia!’
Eens: 18 juni 2024 Ergens: Sources-Seine (departement Côte d’Or, regio Bourgogne-Franche-Comté-)
Poëzie, het is me wat. Net als filosofische teksten leiden ze bij mij tot een grote onrust, een angst dat ik niet zal begrijpen wat er staat. Ben ik zoals Batavus Droogstoppel, die argwanend is tegenover ‘woorden in het gelid’?
Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in ’t gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. ‘De lucht is guur, en ’t is vier uur.’ Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als ’t kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in ’t gelid zet, zeggen: ‘de lucht is guur, en ’t is kwartier voor drieën.’ De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan ’t knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen.
Het was op een mooie lentedag, héél vroeg, kort nadat de zon opging, dat ik deze bomenrij fotografeerde in de buurt van Zegelsem. Ik vermoed dat de bomen de Oudenaardsestraat afboorden. Toen ik de foto zag, moest ik denken aan ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, de beginregel van een bekend gedicht van J.H. Leopold, dat me in mijn studietijd in hoge mate intrigeerde. Toen ik in een woordenboek opzocht wat ‘peppels’ zijn (populieren), begreep ik de regel wel, maar waarom deze vreemde constructie? De versregel – met bovendien een wat vreemd metrum – doet aan als letterlijk vertaald Engels of Duits. En waarom ‘woonhuis’ als gewoon ‘huis’ had volstaan? Wie was dat ‘lief’, dat zoek is geraakt, iets waarvan de dichter duidelijk van streek is, want het wordt in elke strofe herhaald?
En toch, in dat hoofd van mij dat hol is, en vol van duisternis, bleef deze beginregel resoneren. Van heel diep kwam hij weer aanwaaien toen ik deze foto zag. En dan vraag ik me af: wie is het toch die, voorovergebogen, zijn rust en vrede niet vindt? En: zijn het peppels, daar in Zegelsem?
Om mijn oud woonhuis peppels staan “mijn lief, mijn lief, o waar gebleven” een smalle laan van natte blaren, het vallen komt.
Het regent, regent eender te horen “mijn lief, mijn lief, o waar gebleven” en altijd door en de treuren uit, de wind verstomt.
Het huis is hol en vol duisternis “mijn lief, mijn lief, o waar gebleven” gefluister is boven op zolder, het dakgebint.
Er woont er een voorovergebogen “mijn lief, mijn lief, o waar gebleven” met lege ogen en die zijn vrede en rust niet vindt.
Eens: 13 april 2024 Ergens: Tussen de Oudenaardsestraat en Het Burreken, in de buurt van Zegelsem
Op een klein kerkhofje in Korsele staat een machtige treurbeuk die ongeveer honderdvijftig jaar oud is. Hij laat zijn takken troostend over de graven eronder hangen, en dan denk ik aan zijn wortels, zoals Anne Philipe het verwoordt wanneer ze de bomen bij het graf van haar man ziet staan… les arbres qui t’encadraient de leurs racines. Aan de stam, zes meter diameter, staat een grafsteen van 1867 die door de boom helemaal wordt opgenomen. ‘Souvenir d’un ami’. Hier rust iemand (Jean-Baptiste?) die overleed in 1867 op de jeugdige leeftijd van 25 jaar (‘J.B. Mazure décédé à l’age de XXV ans le XXIII juin MDCCCLXVII’). De treurbeuk is rond 1860 aangeplant en was toen nog een klein boompje.
Ook opvallend: het kerkhof ligt vol met ‘Blommaerts’ – nakomelingen van een zekere Jacob Blommaert, een bosgeus uit de zestiende eeuw en medestander van Willem van Oranje. Teken dat het hier gaat om een kleine, gesloten (protestantse) gemeenschap, dat terecht een citaat uit Lucas 12:32 als lijfspreuk voert: ‘Vrees niet, gij klein kuddeken; want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven’.
Ik kwam er aan bij valavond, en hoopte dat het kerkhofje nog open zou zijn én dat er wat verlichting zou zijn. Ja hoor, het was open, én er was licht. Net toen ik de foto wou nemen, ging het licht uit.
Ik had in het voorlaatste jaar van het middelbaar les van Jef Lambert, een priester van de moderne soort met de uitstraling van John Kennedy. Zijn lessen godsdienst waren nogal saai, maar voor het vak Esthetica dat hij ook doceerde, had ik veel belangstelling. We gebruikten het handboek ‘Kunst van Altamira tot heden’, en ik meen mij te herinneren – maar het geheugen kan mij bedriegen – dat hij uitleg gaf over Claus Sluter en zijn Mozesput in Dijon, een gebeeldhouwde sokkel met de beelden van zes profeten waarvan Mozes de belangrijkste was. Waarom had Mozes hoorntjes op zijn hoofd? Daar had mijnheer Lambert een uitleg voor: Mozes was de enige die oog in oog heeft gestaan met God, en om dat zichtbaar te maken, werd hij afgebeeld met twee stompjes op zijn hoofd.
Dijon had ik al vaker bezocht, maar dat kartuizerklooster van Champmol, dat bleef maar op mijn lijstje staan. Tot onlangs. Niet zonder moeite volgden wij Google Maps en Waze, tot op het parkeerterrein van het ziekenhuis langswaar je de beeldengroep kunt bezoeken. Ik gaf mijn zoon uitleg waarom Mozes hoortjes had – wat mijn vrouw de opmerking ontlokte dat ik toch altijd een soort leraar ben gebleven – en toen ik de uitleg van mijnheer Lambert gaf, begon ik die toch wat ongeloofwaardig te vinden. God zien en hoorns krijgen?
En wat blijkt nu? Ik haal er even de vertaalfout van de maand bij: Mozes had net een ontmoeting met God gehad, waarin Hij Zijn wetgeving had gepresenteerd. Mozes daalde de Sinaï af, met de stenen tabletten waarin de tien geboden gegraveerd waren in zijn handen en twee hoorns op zijn hoofd. Twee hoorns op zijn hoofd? Zo heeft het eeuwenlang in de volksvertaling van de bijbel gestaan. Maar: in het oorspronkelijke verhaal had Mozes niet twee hoorns op zijn hoofd, maar een glimmend en glanzend gezicht. Want wie met God had gesproken, begon te stralen. Maar door een fout in de vertaling van het Oude Testament verloor Mozes zijn glans en kreeg hij er een paar duivelse hoorns voor terug. De Hebreeuwse taal, waaruit het Oude Testament vertaald is, kent geen klinkers. Het woord ‘QRN’ werd door Griekse vertaler Aquila Ponticus opgevat als KARAN, wat hoorn betekent. Het moest echter KEREN zijn: straal. Hierdoor werd de zin ‘met stralen rond zijn hoofd’ vertaald als ‘met hoorns op zijn hoofd’. Toen Hiëronymus de tekst vervolgens van het Grieks naar Latijn wilde vertalen, merkte hij de fout niet op. De interpretatie werd zelfs versterkt doordat ‘gekroond’ en ‘gehoornd’ zich respectievelijk in ‘coronatus’ en ‘cornutus’ laten vertalen.
Aan de rand van Horebeke staat er een merkwaardige kapel, gewijd aan de Ronde van Vlaanderen. De winnaars worden er gecanoniseerd sinds 1913, een jaar voor de Groote Oorlog losbarstte, maar het lijstje stopt in 1996. Alsof men toen tot het besef kwam dat het een beetje uit de tijd was om wielrenners te verafgoden als waren het heiligen. Wat ze met heiligen gemeen hebben (in tegenstelling tot voetballers): ze zien af, en soms worden ze voor hun lijden beloond, zelfs hier op aarde. De Leuvense fotograaf Kristof Ramon heeft dat schitterend vastgelegd.
Maar misschien was er in de kapel gewoon geen plaats meer.
Voor wie toch nog even de winnaars van na 1996 in zijn gebeden wil gedenken – dit zijn ze:
1997: Rolf Sørensen 1998: Johan Museeuw 1999: Peter Van Petegem 2000: Andrei Tchmil 2001: Gianluca Bortolami 2002: Andrea Tafi 2003: Peter Van Petegem 2004: Steffen Wesemann 2005: Tom Boonen 2006: Tom Boonen 2007: Alessandro Ballan 2008: Stijn Devolder 2009: Stijn Devolder 2010: Fabian Cancellara 2011: Nick Nuyens 2012: Tom Boonen 2013: Fabian Cancellara 2014: Fabian Cancellara 2015: Alexander Kristoff 2016: Peter Sagan 2017: Philippe Gilbert 2018: Niki Terpstra 2019: Alberto Bettiol 2020: Mathieu van der Poel 2021: Kasper Asgreen 2022: Mathieu van der Poel 2023: Tadej Pogačar
Een wonderbaarlijk huis was het daar, in de Rue de la Trinité in het oude Troyes. Je ging er binnen via een ijzeren hekken, en dan kwam je op een binnenkoer die toegang gaf tot een drietal huizen, onderverdeeld in verschillende appartementen. Er was een lift, maar als je de trap nam, kreeg je zicht op de daken van Troyes, en zag je de hemel zoals men die al honderden jaren geleden zag. Wolken die ook toen moeten geleid hebben tot mijmeringen zoals die van Martinus Nijhoff in zijn gedicht ‘De wolken’:
De wolken schoven boven ons voorbij En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag. En ik riep: Scandinavië, en: eenden, Daar gaat een dame, schapen met een herder – De wond’ren werden woord en dreven verder (…)
Vlakbij is er een mooi museum: Le Musée de l’Outil et de la Pensee Ouvrière. Gereedschap dus, maar ook een plek om om te denken aan de vakkennis, ervaring en kunde van generaties vakmannen. Wat opgeslagen ligt in het collectieve geheugen van de mensen die de trappen maakten waarop wij naar boven gingen om de wolken te bewonderen.
Bien sûr, nous eûmes des orages Vingt ans d’amour, c’est l’amour fol (…) (Jacques Brel, La chanson des vieux amants)
Op zoek met de fotoklas aan de Opaalkust, met wisselend weer, naar mooie landschappen, glooiende hellingen met koolzaad op een achtergrond van een blauw dat je alleen maar aan de zee kan zien, vind je soms wat je niet zoekt. Snapshot van een koppel, stevig ingepakt tegen de kou, want hier bovenop Cap Blanc Nez kan het stevig waaien.
Is het omdat ik net de suggestie kreeg van een Facebookvriend om Proust te leren kennen via Du côté de chez Swann, het eerste, opzichzelfstaande deel van A la Recherche du Temps perdu, dat ik bij dit beeld moet denken aan dat beruchte boek van 2408 bladzijden? De eerste zin is alleszins grandioos: Longtemps, je me suis couché de bonne heure.
Het is een ogenschijnlijke gewone zin, maar zoals ik hem zou vertalen – Gedurende lange tijd ging ik vroeg slapen – voldeed toch niet, maar ik weet niet goed waarom. Na enkele overwegingen komt iemand (een vertaler, neem ik aan) tot dit: Er is een tijd geweest dat ik vroeg naar bed ging.
Ik stel me dat boek van Proust voor zoals deze foto: een stukje natuur dat uit het onderbewuste lijkt te komen, een hekje dat geen ingang is, maar dat toch op slot is – of laat ik me nu leiden door dat ander Frans boek, meer bescheiden van omvang – Le grand Meaulnes, dat ik ooit lang, lang geleden cadeau kreeg van wijlen mijn schoonvader, en dat uit dezelfde periode stamt als het beroemde boek van Proust?
Er was een tijd dat ik vaak de loopschoenen aantrok. Gisteren ging ik ’s ochtends nog eens op pad, met een zeer matige snelheid van zeven kilometer per uur, dat is eigenlijk niet meer dan goed doorstappen. Ik liep in een dreef van zeer oude beukenbomen, en de restanten van de nootjes, vermengd met het grint, deden mijn passen klinken als het kraken van de sneeuw, en dan moest ik denken aan de sneeuw uit nog meer vervlogen tijden, van toen ik een jaar of zes moet zijn geweest, toen ik heen en weer liep tussen ons huis en het huisje van mijn grootouders. Het paadje in de tuin lag ook besneeuwd, en mijn grootvader strooide er as uit de kachel overheen, tegen het uitglijden, maar uitglijden deed ik toch, zij het niet daar, maar op de stoep, en mijn moeder moest mijn nieuwe broek verstellen.
Wel, daaraan dacht ik, zomaar onder het lopen. Er is een tijd geweest.
Het Hallerbos trekt rond deze tijd duizenden bezoekers uit heel Europa, omdat de bodem van het bos dan bedekt is met boshyacinten. Dat de volkstoevloed zo groot is, is een probleem, want de bluebells verdragen het niet dat men erop trapt. Het kan tien jaar duren vooraleer de knolletjes zich herstellen. Als een tractor zich om één of andere reden een weg zou moeten banen door het bos, zijn de sporen tien jaar later nog te zien door het ontbreken van de blauwe knolgewassen aldaar. Daarom zijn de paden afgeboord met een dik touw, en pictogrammen moeten duidelijk maken waar je als bezoeker wel en waar je niet mag lopen. Dat weerhield een grote groep van enthousiaste Aziaten er niet van om toch diep in de jungle te trekken, maar kijk, ze moeten geseind geweest zijn want alras zag ik een parkwachter van Natuur en Bos zich naar de plaats delict spoeden, alwaar hij met enkele krachtige fluitsignalen – door hard te blazen op twee keer twee vingers – de natuurvandalen tot de orde riep. Daar kan ik dan jaloers van zijn – ik kan wel zacht een deuntje fluiten, maar zo hard en streng als die parkwachter het deed, dat lukt me niet. Of ze beboet werden, weet ik niet; ik kan me moeilijk voorstellen dat hij een proces verbaal heeft opgemaakt en van elkeen de identiteitspapieren heeft opgevraagd, want de overtreders waren echt wel talrijk.
Maar dat terzijde. In het Hallerbos zie je ook daslook, zij het in minder grote getale, en daartussen, waar de bodem nog drassiger was dan elders, stonden er enkele mooie exemplaren van heermoes, ook wel eens kattenstaarten genoemd, of met de officiële naam paardenstaarten (Equisetum). Er was een tijd dat ik ijverig elke paardenstaart uit mijn tuin verdreef, maar sinds ik weet dat deze plantensoort een levend fossiel is, de enige overblijver uit een geslacht dat ongeveer 100 miljoen jaren geleden de bodem van onze bossen overheerste, heb ik er meer respect voor gekregen. Paardenstaarten verschenen voor het eerst tijdens de Jura-periode. Op de webpagina van RoundUp lees je dan weer dat paardenstaarten een hardnekkig onkruid zijn dat zeer snel woekert en al snel een uitgebreid wortelnetwerk om zich heen creëert. Maar van RoundUp kan je natuurlijk moeilijk iets anders verwachten.
Op de Engelse wikipagina, waar ik alweer de vraag krijg om twee, of zelfs 25 euro te doneren, lees ik dan weer dat het patroon van de afstand tussen de knooppunten bij paardenstaarten, waarbij die in de richting de top van de scheut steeds dichter bij elkaar komen, John Napier zou hebben geïnspireerd tot het uitvinden van logaritmen. Toen ik deze plantjes daar zo zag staan, badend in een zeldzame zonnestraal, vond ik het ineens een heel mooi plantje. En dan dacht ik aan mijn oude professor Schrickx, al geruime tijd zaliger, en aan zijn citaat van de romantische dichter William Wordsworth uit ‘Ode on Intimations of Immortality from Recollections of Early Childhood’:
‘To me the meanest flower that blows can give thoughts that do often lie too deep for tears’.