De familie Cohen

De gids die we deze zomer aantroffen voor het Joodse schooltje in Leeuwarden – hij gaf uitleg aan een groepje waar we geen deel van uitmaakten – zei het wat achteloos, en ongetwijfeld zonder slechte bedoelingen: ‘Leeuwarden kende een bloeiende Joodse gemeenschap van ongeveer 800 zielen. De grote meerderheid kwam om in Auschwitz.’

Omgekomen? Ze werden vermoord, dat ligt dichter bij de waarheid. De jurist en schrijver Abel Herzberg – overlever van Bergen-Belsen en vader van dichteres Judith Herzberg – verwoordde het scherper: ‘Er zijn in de Tweede Wereldoorlog geen zes miljoen Joden uitgeroeid, maar er is één Jood vermoord en dat zes miljoen keer.’

En de moord was met voorbedachten rade. Al in 1941 begonnen de nazi’s met de bouw van vernietigingskampen in o.a. Auschwitz. Kort daarna – begin januari 1942 – kwamen 15 hoge ambtenaren van nazi-Duitsland samen in Villa Marlier aan de Wannsee, een meer ten zuidwesten van Berlijn. Deze conferentie is berucht: hier werd formeel en ambtelijk beslist tot het uitroeien van het Joodse volk; het bekrachtigde de plannen van Hitler, Heydrich en anderen en zette een organisatie op poten om de Endlösing in de praktijk te brengen. Eichman – die niet aanwezig was in Wannsee – zou later de notulen van deze vergadering maken. Hij had vooraf al een lijstje gemaakt met een raming van het aantal Joden in de verschillende landen – 43.000 in België, 160.800 in Nederland.

De Endlösing is een gruwelijk eufemisme voor een systematische en geïndustrialiseerde genocide. Al snel begon men in Europa Joden gevangen te nemen en te deporteren. Struikelstenen herinneren aan deze gruwelijke gebeurtenissen. In Rotterdam stootte ik tijdens een ochtendwandeling op het Noordereiland op zes tegeltjes, die herinneren aan de familie Cohen die gedeporteerd werd naar Westerbork en al snel vermoord in Auschwitz. Elie, 43 jaar, was de oudste; Rebecca, vijf jaar, de jongste.
Ook in Leeuwarden vond ik nog andere Cohens op een gedenkplaat, voor een Joods schooltje dat al lang gesloten is. Een opschrift op de muur, een citaat uit Genesis, leest: ‘Het kind is er niet meer’.

De weinige overlevenden van de holocaust konden het niet meer aan om terug te keren naar hun oude stad in Friesland; de meesten emigreerden naar Amerika of Israël. Toch vond ik nog een teken van zeker één Cohen die gebleven is: een handelaar in ijzer en non-ferrometalen. Zijn bedrijf – en hijzelf hopelijk ook – overleefde de gruwel van de holocaust.

Op het monument dat alle namen vermeldt; liggen steentjes, want Joden – praktisch als ze zijn – weten dat bloemen vergaan, steentjes niet. Als het niet te hard heeft gewaaid, ligt ons steentje er nog.

Een Cohen die overleefde, en bleef.

Eens: 27 juni en 2 juli 2022
Ergens: Rotterdam (Willemsbrug) en Leeuwarden

Wanderlust

Wandelen, ik weet niet of het aan mij ligt, maar het Engelse ‘to wander’ of het Duitse ‘Wanderlust’ geven het simpele stappen toch wat meer diepgang – wie wandelt stapt wat voor zijn plezier, terwijl Wanderlust een vonkje meegeeft van de verwondering of verrukking die om elke hoek op het pad kan loeren.

Heel lang geleden werd er amper gewandeld, men stapte doelbewust, van a naar b. De tijd verdrijven was een luxe die de jagers of vechters zich niet konden veroorloven, al neem ik aan dat Hannibal wel eens met verbazing zal gekeken hebben naar de woeste bergtoppen van de Pyreneeën en de Alpen toen hij ten strijde trok tegen de Romeinen.

‘Walking, ideally, is a state in which the mind, the body, and the world are aligned, as though they were three characters finally in conversation together, three notes suddenly making a chord.’

Dat schrijft Rebecca Solnit in Wanderlust: A History of Walking (2001), maar ik vermoed dat men pas vanaf Thoreau of Jane Austen’s Elizabeth Bennett tijd had voor dat soort gedachten.
Herman Melville natuurlijk ook. Die ging wandelen in de buurt van Stockbridge, Massachusetts, met zijn vriend Hawthorne. In de contouren van een berg meende hij een walvis te zien. De romantiek was begonnen, en wandelen, erop uit trekken was een middel om één te worden met de natuur, die een nieuw soort van schoonheidsideaal werd.

Een tijd geleden ging ik bij dagenraad op stap in Monument Mountain in Great Barrington, Massachusetts, niet ver vanwaar Melville zijn trektocht maakte. We logeerden toen in het Briarcliff Motel, en aangezien ik altijd als eerste uit de veren was, zou ik vóór het ontbijt eens een nabijgelegen heuvel verkennen, het pad naar Devil’s Pulpit volgend. Ineens hoorde ik een stem – mijn zoon, die de reden was van deze trip naar deze streek van Boston en Harvard, was ook wakker, en samen gingen wij de berg op.

Laatst zag ik, toen ik Umberto Eco’s De geschiedenis van de schoonheid doorbladerde, nog eens het bekend schilderij van Castor Friedrich dat die romantische verbondenheid tussen het individu en de natuur zo goed verbeeldt. Ik kende dit schilderij wel, maar ineens zag ik de gelijkenis met de foto hierboven, van mijn zoon. Samen stonden we – niet eens zo hoog – boven de nevelen die de vallei van de Housatonic river bedekten als een zacht donsdeken. Het was een magisch moment. De woorden van feministe (of mannenhaatster volgens schrijver Christophe Vekeman) Solnit zijn mij te hoog gegrepen, maar ik kon alleen maar verrukt zijn van dit moment met mijn zoon, bij de opkomende zon boven de wolken die als een zee onder ons lagen. Caspar Friedrich moet hetzelfde gezien hebben.

Caspar Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer (1818) – Wikimedia Commons

EENS: 16 juli 2018
ERGENS: Monument Mountain, Great Barrington, Massachusetts.
Foto’s: Galaxy S8.

© Alle rechten voorbehouden.

Witte donderdag

Het was de Witte Donderdag van het Jaar des Heren 2022. Ik zoek enkele fotolocaties in Gent, de zon schijnt. Onder de Albertina Sisulubrug vind ik wat ik zoek, en ook wat verder, onder de brug van de Lammerstraat, waar je in het water van… ja, van wat eigenlijk, een stukje water tussen Leie en en Schelde, het bewegende silhouet van de Sint-Pietersabdij herkent.

Een jonge vrouw komt me vragen hoe laat het is, en dat vind ik een vreemde vraag, een die je niet vaak meer hoort. Wie heeft er nu geen mobiele telefoon op zak? En waarom vraag je hoe laat het is, als er aan de overkant van de straat een apotheek ligt, met een groen neonkruis dat flikkert en de tijd aangeeft. Zoals kerktorens het zielenleven combineerden met het praktische, zoals de tijd van de dag. Steeds als je wil weten hoe laat het is, denk je aan God. Als het angelus luidt, doe je je pet af en bid je.

Ik haal mijn telefoon boven, en zeg, naar waarheid, dat het kwart over negen is, waarop de vrouw me bedankt, en dan ook de aap uit de mouw komt. Ze zegt me dat ze een Christen is, en ze vraagt me of Jezus ook al in mijn leven is gekomen, want dat is toch iets wat haar bijzonder gelukkig maakt, de merk- en voelbare aanwezigheid van God, nu, maar ook voor het leven na de dood. Ik laat haar rustig uitspreken, en vertel dan dat ik haar overtuiging respecteer, maar dat die van mij toch wat afwijkt. Hemel en hel bestaan wel degelijk, zeg ik, maar ze bestaan beide op aarde, en het is onze verantwoordelijkheid om hier een hemel te maken, en dat dat kan zonder God. Ja, dan heeft ze het over vrije keuze, en nog één en ander, en ze besluit dat ze vandaag aan haar God zal vragen of hij zich ook aan mij zou openbaren, zoals hij dat bij haar heeft gedaan.

Ik vind het wel een fijne gedachte – iemand die mij gedenkt in haar gebeden, en dat terwijl ik nog leef.

Eens: Donderdag 14 april 2022
Ergens: Gent, in de buurt van De Krook, Vooruit, VOKA en de brug onder de Lammerstraat.

Moral bombing

De treurende ouders van Käthe Kollwitz in Vladslo.

Op 23 november werd het huis van de expressionistische kunstenares Käthe Kollwitz (1867-1945) in Berlijn gebombardeerd, van waarvan ze enkele maanden ervoor werd geëvacueerd. ‘De grote woonkamer met de ovale familietafel, de tegelkachel, de tekeningen aan de muur, meer dan een halve eeuw familieleven, niets bleef bewaard,’ schrijft Geert Mak. ‘Op 26 februari 1944 ging de oude Alexanderplatz ten onder in een zee van vuur. Anderhalf miljoen Berlijners waren op dat moment al ausgebombt, uiteindelijk zou 70 procent van de stad tot puin vervallen.’

Käthe Kollwitz overleefde haar man, die stierf in 1940, en haar kleizoon Peter, die als soldaat omkwam tijdens de tweede wereldoorlog. Ze overleefde ook het bombardement op haar huis; ze overleed op 22 april 1945, 16 dagen voor het einde van de oorlog.

Het bombarderen van bijna alle grote Duitse steden was deel van de tactiek van moral bombing, met maar één doel: de Duitsers demoraliseren zonder dat er aan geallieerde kant (Britten en Amerikanen) veel slachtoffers vielen. Het blijft een vreemde term, moral bombing. Driehonderdduizend Duitsers, waarvan 75.000 kinderen, kwamen om het leven in vuurzeeën in Berlijn, Keulen, Hannover en andere steden. De Russen deden hun duit in het zakje door verschillende boten met vluchtende Duitsers te torpederen en vrouwen massaal te verkrachten en vermoorden.

Militair historicus John Terraine merkte op dat de term moral in de richtlijn voor bombardementen niets anders betekende dan ‘het in stukken uiteen rijten van mannen, vrouwen en kinderen’.

Van de Duitsers zou je nog kunnen zeggen: zij hebben de vuurzee, de waanzin van Wereldoorlog II, zelf ontketend; ze hebben ook Londen, Coventry en Rotterdam gebombardeerd en miljoenen Joden de dood ingejaagd.

Maar de Oekraïners?

Bron: Geert Mak, In Europa deel 2, Dresden

Eens: 24 juni 2021
Ergens: Duits oorlogskerkhof in Vladslo

Zadkine

Een nieuwe lens, die wou ik wel eens uitproberen in Rotterdam, waar we, dankzij Karel heen gingen en meteen ook een bezoek brachten aan – en een rondleiding kregen van – Elisabeth. Ze toonde ons, op het Plein 1940, aan de Leuvehaven, het beeld van Ossip Zadkine, De Verwoeste Stad, een beeld van een man die afwerend de handen ten hemel reikt. Het onheil kwam van boven, die veertiende mei in 1940. De Duitsers hadden al het Noordereiland bezet, maar konden de bruggen niet over om de binnenstad in te nemen. Ze dreigden met een bombardement, dat er snel kwam en bijzonder kort van duur was. Eén kwartier lang kwam de hel uit de hemel neergedaald, en na dat kwartier lag 260 hectaren in puin. Meer dan 24.000 woningen werden in de as gelegd. 800 mensen vonden de dood en 80.000 Rotterdammers werden dakloos. In 1953 werd dit beeld van Ossip Zadkine onthuld: De verwoeste stad. Rotterdammers gaven het vele namen: Stad zonder Hart, Zadkini, Jan Gat, Jan met de Handjes.

Als ik iets van Zadkine zie, moet ik denken aan een bezoek aan Saint-Rémy-de-Provence in 1986, toen ik in de tuin waar ooit Vincent van Gogh herstelde, oog in oog kwam met een borstbeeld van Zadkine. Het stelt de schilder voor, met in zijn hand een vel papier, waarop je kunt zien: A Théo. Een van de vele brieven die beide broers bleven schrijven. Misschien was het wel deze brief, die nooit verzonden werd, de allerlaatste van Vincent van Gogh aan Theo:

“Par mon intermédiaire tu as ta part à la production même de certaines toiles qui même dans la debâcle gardent leur calme …”

Eens: 27 november 2021 (boven); zomer 1986 (onder)
Ergens: Rotterdam; Saint-Rémy-de-Provence

Rozanne

Het moet acht jaar geleden zijn dat ik voor het eerst een foto van een Geranium Rozanne wereldkundig maakte. ‘Een meisje van stavast’, schreef ik op 23 november 2013, toen de wereld en mijn wereld er nog anders uitzag. Een vriendin vroeg: toch geen vrouwtje van Stavoren? Zij (de Vrouw van Stavoren, niet mijn vriendin) zag haar hovaardige voorspoed uiteindelijk omslaan in rampspoed.
Ik blijf me verbazen over dit kranig bloempje, dat blijft bloeien tot de eerste vorst eraan komt. Pas dan geeft het zich gewonnen, en dan houdt de tuin het bij enkele winterbloeiers. Dan is het even op de tanden bijten, en wachten tot de eerste sneeuwklokjes boven komen, in de geruststellende zekerheid dat die dag er eens aankomt.

Deze cyclus van het leven, de bloemen die elk jaar weer tot bloei komen, is iets wat Hans Castorp, die ‘eenvoudig jongmens (die) van zijn vaderstad Hamburg naar Davos-Plats in het Graubündense land [reisde]’ opvalt. Castorp is het hoofdpersonage in Thomas Manns De Toverberg, een boek dat ik op 22 januari 1981 kocht maar nu pas echt lees. Hij mijmert over ‘.. eer en schande, tijd en eeuwigheid – en werd overvallen door een korte, maar stormachtige duizeling bij de gedachte, dat de akelei [namelijk de bloem die hij na een verblijf van een jaar – hij zou er eerst drie weken verblijven om zijn neef te bezoeken – weer volop zag woekeren, en wel op de plaats waar hij de bloem precies een jaar geleden ook zag] opnieuw in bloei stond en het jaar naar zijn uitgangspunt terugkeerde.’

Eens: 22 november 2021
Ergens: Thuis

De Toverberg, stap voor stap

Het is zo ver.

Op 22 januari 1981 kocht ik De Toverberg van Thomas Mann. Het was de tijd dat ik mijn naam nog in mijn boeken schreef, en er ook de aankoopdatum bij noteerde. Ik denk dat dat in Marnix Boekhandel was, op de Ajuinlei. Ik had over het boek gelezen in de cursus van Alex Bolckmans, Inleiding tot de voornaamste moderne literaturen. Eén van de grootste romanciers der 20ste eeuw, zo noemt Bolckmans Mann, iemand die de grenzen van het neorealisme overschrijdt. Der Zauberberg is een ontwikkelingsroman met een humanistische boodschap. Was het dat dat mij dit boek deed kopen? Of was het omdat ik het zo een fraai boek vond, perfect van formaat, ondanks de 972 bladzijden? Het was de vierde druk van De Arbeiderspers van 1980, met de vertaling van Pé Hawinkels. (Over de – vaak bejubelde, maar ook bekritiseerde – vertaling schreef Thomas Heij een lezenwaardig stuk.)

Niet snel na de aanvang van de lectuur heb ik het boek opzij gelegd. Enkele jaren later ben ik er weer aan begonnen, maar toen strandde ik halfweg het vijfde hoofdstuk, net voor ‘Mijn God, ik zie het’. Pagina 264, er zit nog een velletje papier op de plaats waar ik het dikke boek voor lange tijd dichtklapte. Ik herinner mij – vaag – dat er nogal wat gefilosofeerd wordt over het begrip tijd, bijvoorbeeld dat tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn, denk maar aan de wijzer van een klok. Als alles stil staat – dus niet alleen het horloge – valt ook de tijd stil, is er zelfs geen tijd meer.

Helaas, het boek belandde weer in de boekenkast, waar de rug van het boek intussen zodanig verschoot, dat het nu zelfs een andere kleur lijkt.

Maar kijk, ruim veertig jaar nadat ik het boek kocht, nam ik het weer ter hand, en ik was meteen ingenomen door de beginregel van de introductie die Mann aan zijn boek gaf. ‘Nu gaan wij het verhaal vertellen van Hans Castorp – niet omdat hij het is (de lezer zal hem namelijk leren kennen als een eenvoudig, doch innemend jongmens), maar omdat het verhaal ons in hoge mate vertellenswaard voorkomt (waarbij ten gunste van Hans Castorp dient aangetekend dat het zijn verhaal is, en dat niet iedereen elk verhaal meemaakt).’

(In het origineel staat er: ‘Die Geschichte Hans Castorps, die wir erzählen wollen (…)’, waaruit je merkt dat de vertaling van Pé Hawinkels – ooit tekstschrijver van Herman Brood – inderdaad wel vrij te noemen is.)

Dat de verteller de toehoorder of lezer aanspreekt, bevalt me; ik herinner mij dat Goethe zijn Wahlverwandtschaften ook zo begint: ‘Eduard – zo noemen wij een rijke baron in de kracht van zijn leven – Eduard had in zijn boomkwekerij het mooiste uur van een aprilmiddag doorgebracht met het enten van pas verworven enttakken op jonge stammen.’

Maar terug naar Mann en De Toverberg. Je weet gewoon vanaf de eerste zin dat Hans Castorp langer dan drie weken in het sanatorium in Davos zal blijven, en dat zijn verblijf zijn leven zal veranderen. Gelukkig is er een goede verteller die je bij de hand neemt.

En kijk, intussen is het zo ver. Ik ben voorbij pagina 264 geraakt, en ik stoom verder door, als een oude locomotief.  Een ‘schwer keuchende Lokomotive’, schrijft Mann ergens, wat bij Hawinkels een ‘door rokershoest geplaagde locomotief’ wordt. Het bekende citaat – ooit geparafraseerd door professor Schrickx (die volgens Siegfried Bracke twee wereldtalen tegelijk spreekt: Engels en Antwerps) tijdens en één van zijn uitweidingen is ‘het lachen is de zonnestraal van de ziel’. Schrickx vond een spontane lach die opstijgt in een conversatie tussen studenten als een waarachtig moment, of iets van dien aard, wel, dat citaat ben ik nog niet tegengekomen. En zo wordt deze uitgestelde lectuur ook voor mij een reis door de tijd, mijn tijd.

Eens: 6 oktober 2021
Ergens: Thuis

Post scriptum: Ik lees nu elke avond in De Toverberg, voor het slapengaan. Gisteren kwam pagina 281 voorbij. Hans Castorp moet een röntgenfoto laten maken, en is compleet van de kaart omdat mevrouw Chaucat was binnengekomen in de wachtzaal.

‘Maar waar ruikt het hier toch naar?’

‘Zuurstof,’ zei de kamerheer. ‘Wat u in de lucht bespeurd, dat is oxygenium. Atmosferisch produkt van het kameronweer, als u begrijpt wat ik bedoel…”

Inderdaad – een licht-progressieve spelling bij Pé Hawinkels, en een dt-fout.

De oude schoolpoort

Vanmiddag kwam ik langs mijn oude school. Meer dan 50 jaar geleden stapte ik hier voor het eerst binnen, nu ging ik nog eens door de schoolpoort – eigenlijk een oud poortgebouw dat ooit een vakschool moet geweest zijn. Je raadt het – je herkent het wel, maar toch is alles anders, en nee, het voelt niet meer zoals toen. Natuurlijk niet.

Toen was ik zes, en de gang waardoor je binnenkwam leek eindeloos lang. Rechts de klas van meester Waeytens, tweede studiejaar, de man die nog met de regel op de vingers van de stoute leerlingen sloeg. Dan, de speelplaats, onherkenbaar veranderd. De school is geen school meer, maar een verzameling van sociale buurtactiviteiten. De klas van meester Reynebeau, de zachtaardige, vond ik nergens meer, wellicht afgebroken. Het was een klas waarin nog een kolenkachel stond. Wat verder, de nieuwbouw, waar we vanaf het derde jaar in ondergebracht werden, maar die ik nu helemaal niet herken. Meester Pauwels, een sadist in mijn herinnering, misschien alleen maar omdat hij mij eens aan mijn oren uit mijn lessenaar trok, omdat ik in twee regels van een dictee drie fouten had gemaakt. Toen hij doodging, had ik de onchristelijke gedachte: ‘zijn verdiende loon’.

Wat ik wel herken, is een boom. En een muur. Op die muur stonden de contouren van een goal geschilderd. Toen ik een jaar of tien was, heb ik daar een fenomenaal doelpunt gemaakt, recht in de rechter winkelhaak. Dàt zie ik nog voor me.

Maar verder – eigenlijk niets speciaals. Er is een mooie muurschildering, er bloeien nog enkele late buddleja’s. Dat was er vroeger natuurlijk niet. Boven de schoolpoort staat er ‘Vak en ambachtschool’, wat ik destijds nooit had opgemerkt. Toen ik er school liep, was het gewoon een lagere school, in 1963 een afdeling van het Sint-Lievenscollege, twee jaar later maakte het deel uit van het Sint-Jan-Berchmanscollege. De directeur, mijnheer De Moor (1927-2021), was actief in de Christelijke Volkspartij. Toen we één of andere inenting moesten krijgen, stond hij de jongens nabij, en bij mij zei hij: ‘Dat is een flinke’. Dat zei hij vast bij iedereen, maar bij mij had het toen wel effect. Meester De Potter kon tekenen, maar niet zingen, en bij meester Lebeuf was het net omgekeerd. Meester Robberecht heeft me eens ten onrechte een oorvijg gegeven. Buiten de schooltijd liep hij rond met een groot houten kruis waarop geschilderd stond: AMNESTIE. Ook toen al: activistische leerkrachten.

Zomaar, een schooltje. Waar mijn grootvader me vaak met bus naartoe bracht. Waar ik de belangrijkste zaken van mijn leven leerde: lezen, schrijven en rekenen. Mijn eerste woordjes Frans. De ABN-kaart. De prenten van Boduognat en van Karel de Grote. Kennis vergaren, levenslessen leren. Dit alles onder het toeziend oog van koning Boudewijn en koningin Fabiola. Revienne le temps? Nee, dat gevoel had ik toch niet.

EENS: 8 september 2021

ERGENS: Koningstraat, Sint-Amandsberg

Le Temps d’un Soupir

Mortehan, kerkhofje aan de oevers van de Semois.

Het is een vreemd toeval. Ik ruim wat oude boeken op, en ik vind twee boeken. Het ene is van mijn vrouw, haar naam staat erop in haar herkenbare, zij het meisjesachtige handschrift. Le Temps d’un Soupir, ongetwijfeld een boek van een literatuurlijst, in dit geval van een nonnetjesschool in de jaren 70.

Het andere is een boek dat mijn schoonvader mij ooit cadeau deed: Le Grand Meaulnes, van Alain-Fornier. Dat laatste boek, eerst verschenen in 1913, is het meest verkochte en vertaalde Franse boek ooit, na Le Petit Prince. Ik had het eerder al gelezen, maar was toch blij met het geschenk, zomaar. Mijn schoonvader had aan mij egdacht, en vermoedde dat ik dat boek mooi zou vinden. Had hij het ooit gelezen? Vond hij het zelf zo goed? Waarom gaf hij mij precies dàt boek cadeau?

Le Temps d’un Soupir moet destijds, zo denk ik, destijds een populair jongemeisjesboek geweest zijn. Laat dit nu net een boek zijn waar mijn vader mij over vertelde, van een vrouw (Anne Philipe, de auteur), die schrijft over de dood van haar man, de acteur Gerard Philipe, overleden op 37-jarige leeftijd. Een passage had mijn vader bijzonder aangegrepen, waarin de vrouw mijmert bij het graf van haar man, waar een boom staat, een boom die zijn levenskracht haalde uit zijn wortels die het graf van haar man beroerden, zo herinner ik mij wat mijn vader ervan vertelde. Ik was benieuwd naar deze passage, en las het boekje. Op één van de laatste bladzijden vond ik iets wat erop leek, maar helemaal klopte het niet. Maar de boom, de wortels, het begraven lichaam kwamen er wel in voor.

Ce n’était plus un rendez-vous, je venais regarder la terre qui te touchait et les arbres qui t’encadraient de leurs racines. J’arrosais les jeunes plantes et le lierre encore frafile que le soleil brûlait. La terre buvait l’eau avec un bruit presque humain.

Anne Philipe, Le Temps d’un Soupir, Livre de Poche 1969, p. 153.

Het boek verscheen in 1963. Gerard Philipe overleed in 1959, mijn geboortejaar. Hoe kwam dit boek in mijn vaders handen? Hij was wel een romanticus, maar ik denk niet dat hij gek was van Franse literatuur. Hoe oud was hij toen hij dit boek las? Hoe oud was ik toen?

Zoveel vragen voor vaders, en voor ouders in het algemeen. Als je jong bent, denk je ofwel dat deze vragen niet zo belangrijk zijn, of dat ze ooit wel eens een antwoord zullen krijgen. Wat nog maar eens de jeugdige overmoed én onbezonnenheid demonstreert. Hoe graag zou ik nu nog eens met mijn vader en mijn schoonvader een gesprek hebben over Le Temps d’un Soupir en Le Grand Meaulnes!

The Sun is God

Wenduine, als God zich ’s avonds laat zien.

‘The Sun is God.’ Dat zouden de laatste woorden zijn geweest van Joseph William Turner. Turner was een wat vreemde man, en als we de film Mr. Turner mogen geloven, niet echt een aimabel persoon. Hij aanbad de zon, en dat zie je in zijn schilderijen, vooral marinelandschappen met een vaak surreëel, mystiek licht.

Hij had de gewoonte om recht in de zon te kijken, en zag zo beelden die, volgens een theorie van Goethe, achterbleven in het oog als je dan de ogen sluit. Hij hield er wel een cataract aan over, alsook het onvermogen om de kleur geel correct te zien. Zijn schilderij Light and Colour (Goethe’s Theory) – the Morning after the Deluge – Moses Writing the Book of Genesis brengt al deze elementen samen (Tate).

Realistisch waren zijn schilderijen zeker niet. Men lachte wel eens met Turner, die man die zijn schilderijen met een in verf gedrenkte vloermop leek te maken.

De foto van het strand in Wenduine is dan weer honderd procent realistisch. Toch geeft dit beeld Turner gelijk: het licht is God.

EENS: 24 april 2021
ERGENS: Wenduine