Een aalmoes

Een kort verhaal, want tijd is een kostbaar goed, en ik heb ook niet zoveel te vertellen.

Laatst was ik in de Gentse bibliotheek, De Krook. Ik ging naar een lezing, maar ik had me een week vergist. En dan bedacht ik dat ik maar eens Toergenjev moest lezen, dus haalde ik er Vaders en zonen.

Toen ik aan de bib kwam, had ik hem zien zitten, een bedelaar op de voetgangersbrug tussen het Woodrow Wilsonplein (beter bekend als ’t Zuid) en De Krook. Terwijl ik tussen de rekken boeken liep, tussen ‘Romans’ en ‘Informatica’, dacht ik aan die bedelaar. Het was een nieuwkomer – gewoonlijk zit er iemand die mij meer een professionele bedelaar leek, maar die man was anders. Hij zag er eigenlijk zeer netjes uit, met een ringbaardje. Het was koud en hoewel het niet regende, was het vochtig en guur, en ik denk dat zeker dan niemand voor zijn plezier voor een bakje zit te zitten, met daarnaast een tekst ‘Dakloos’.

Zou ik hem een aalmoes geven? Was hij het slachtoffer van de harde, neoliberale samenleving, iemand die tussen de mazen van het sociale vangnet was gevallen? Iemand die getroffen was door brute pech? Of was het een klaploper, iemand die zelf schuld had aan zijn bedelaarsbestaan, want is niet iedereen verantwoordelijk voor zijn eigen lot, zoals sommigen denken? En ook: met een aalmoes help je even één bedelaar, maar misschien houd je het probleem wel mee in stand?

Toen ik wegreed, met de fiets, had ik beslist: ik geef hem wat ik in mijn jaszak vind, een stuk van twee euro. En ik zou hem aanspreken met ‘goedemiddag’. Misschien zou hij me dan vragen waarom ik hem aansprak, en ik zou dan zeggen: “Omdat ik u gezien heb.” Want is dat niet het ergste voor een bedelaar, dat iedereen hem voorbijloopt, door hem heenkijkt? Zodat de passanten niet geplaagd zouden worden door de vragen die ik mij nu stelde? Of is het anders – zou de bedelaar zich niet schamen, en heeft hij dan liever dat men hem niet aankijkt?

Ik gooide het muntstuk in zijn lege bakje. Even was ik bang dat het eruit zou stuiteren, en de Ketelvest (of is het de Reep?) inrollen, maar ik denk te veel, denk ik.

De man zei: “Dank u”, op een manier die bij zijn verschijning paste: waardig en netjes. Ik had in mijn hoofd een zeer aangenaam gesprek gehad met een bedelaar.

EENS: 22 november 2019
ERGENS: Gent, De krook

Camera: Samsung Galaxy 8

Si le coeur vous en dit

Vandaag, allerheiligen, morgen, allerzielen. Eertijds werden de graven opgepoetst, tot ook de poetsers oud werden, en heen gingen. Waar er nog een graf is, zetten jongeren de traditie verder, maar zonder graf, of zelfs zonder een nis, wordt dat alleen een abstracte oefening. Laten we dan maar even denken aan hen die we toch al in ons hart dragen, met de regels van Lamartine – C’est l’ombre pâle d’un père / qui mourut en nous nommant / c’est une soeur, c’est un frère / qui nous devance un moment / tous ceux enfin dont la vie / un jour ou l’autre ravie, / enporte une part de nous / murmurent sous la pierre / vous qui voyez la lumière / de nous vous souvenez vous?

In zijn Penséés des Morts getuigt Alphone de Lamartine nog van het christelijke geloof in zaken van leven en dood: de overledene moet nog gewogen worden vooraleer hij het eeuwig leven krijgt: Mets ton poids dans la balance, / Si tu pèses le néant ! / Triomphe, à vertu suprême ! / En te contemplant toi-même, / Triomphe en nous pardonnant !

Maar laat mij, als ik vandaag zoals op de andere dagen, mijn doden herdenk, een ander deuntje fluiten, één dat zeker mijn vader liever had gehoord:

Mais voila le soleil, le soleil qui leur dit
Prenez, prenez la peine de vous asseoir
Prenez un verre de bière, si le coeur vous en dit
Prenez si ça vous plait, l ‘autocar pour Paris
Il partira ce soir, vous verrez du pays

Mais ne prenez pas le deuil, c ‘est moi qui vous le dit
Ca noircit le blanc de l ‘oeil, et puis ça enlaidit
Les histoires de cercueils, c ‘est triste et pas joli
Reprenez vos couleurs, les couleurs de la vie

Jacques Prévert, A l ‘enterrement d ‘une feuille morte (Paroles, 1946)

Een mooi bos zoals het Zoniënwoud, donker en wat somber door de hoge beuken met hun dicht bladerdak, is een ideale plaats om te genieten van een zeldzaam straaltje zonneschijn. Het is hier, in Groenendaal, waar de middeleeuwse mysticus Jan van Ruusbroec, op zoek ging naar zijn persoonlijke God, ver weg van “de menigte van mensen”. Het kan ook zijn dat Ruusbroec zich zou hebben gestoord aan de manier waarop in Sinte-Goedele de officies werden gezongen en vooral aan het vals zingen van ene Godfried Kerreken. Zijn groeiende onvrede met de levenswijze van de geestelijkheid in zijn tijd is waarschijnlijker (“want sie sijn als ene confusie en een lachter in de werelt … also stinct nu die locht van den sonden ende van der quaden famen der onreinre priestere die nu sijn“).

Maeterlinck, die Ruusbroeks Die gheestelike bruloch vertaalde in het Frans, had wat gemengde gevoelens over de mysticus Ruusbroec: “Hij paart de onwetendheid van een kind aan de wetenschap van iemand die uit de dood is teruggekeerd. Overal vertoont zich een monsterachtige wanverhouding tussen wetenschap en onwetendheid, tussen kracht en begeerte. Velen zullen dan ook in zijn boek niet veel meer zien dan het werk van een visionaire monnik, van een sombere kluizenaar, een heremiet, dronken van vasten en van koorts verteerd. En toch — deze arme, eenzame monnik, die geen Grieks en misschien geen Latijn kende, vangt te midden van het duistere Zoniënwoud, in zijn onwetende, eenvoudige ziel de verblindende weerschijn van de hoogste en geheimzinnige bergtoppen van het menselijk weten op. Onbewust kent hij het platonisme van Griekenland, het soefisme van Perzië, het brahmanisme van Indië en het boeddhisme van Tibet, en zijn wonderlijke onwetendheid vindt de wijsheid van begraven eeuwen terug en voorziet de wetenschap van eeuwen die nog niet geboren zijn.” (Wikipedia)

Ik denk dat Jan van Ruusbroec niet veel zou moeten weten van Jacques Prévert.

EENS: woensdag 30 oktober 2019
ERGENS: Het Zoniënwoud in Groenendaal
Camera: Lumix LX 100 F 1.7, 1/200s, 800 ISO, 10.9 mm (x crop factor 2)

Hat tip Alphonse de Lamartine (1790 – 1869): Sylvain Ephimenco (Trouw)

© Alle rechten voorbehouden.

‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.’

Bram Vermeulen zong dat hij een steen had verlegd in een rivier. “Het water gaat er anders dan voorheen.”. Voor Bram Vermeulen was het het bewijs van zijn bestaan.

“Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten,
Ik leverde ’t bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
De stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.”

Frank Vander linden, De Mens, zong over Jeroen Brouwers, die een boek schrijft. In Bezonken rood schrijft Brouwers: ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.’ Zoals een wind die in een tuin de bomen nog in beweging brengt, ook als de wind is verdwenen. Hij had iets genoteerd in een aantekenboekje, dat hij meer dan tien jaar later terugvond. Toen besefte hij: ‘De wind’, dat is: iemands leven.

Zoals ik pas laat begreep dat De moeder de vrouw van Martinus Nijhoff over de dood ging. Twee overzijden, die elkaar vroeger schenen te vermijden, worden weer buren. Door de brug kwam een schip varen, en op dat schip, een vrouw. Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

Op de Lofoten hadden wandelaars enkele stenen op elkaar gelegd. Ik legde er nog één bovenop, op de stapel rechts op de foto. Ik leverde het bewijs van mijn bestaan.

Een oud-collega is overleden. Mag ik hem mijn vriend noemen? Ik zag hem laatst tien maanden geleden. Zijn ziekte had hij al verschillende jaren de baas kunnen blijven, maar ze was teruggekomen, en dat kon je goed zien. Maar hij bleef optimistisch. Een dag na zijn overlijden schreef ik hem een mailtje, zeggende dat augustus en september zo druk waren, maar nu was er weer wat ruimte – wanneer kunnen we nog eens afspreken, in de Cru, of bij hem thuis? Helaas, ik was te laat, veel te laat. De dag voordien overleed hij. Nochtans fietste ik regelmatig langs zijn appartement, en dan dacht ik aan hem, maar zomaar aanbellen, zonder eerst even af te spreken, dat durfde ik toch niet. Ik had het toch beter gedaan.

Nu is hij heengegaan, en bekijk ik zijn foto, zoals ik hem mij herinner, met een zachte, vriendelijke glimlach. Hij was bedrijfspsycholoog, en hij was het die mij nog screende tijdens een sollicitatiegesprek, 34 jaar geleden. Wat me toen meteen opviel, waren zijn verzorgde uitspraak en zijn warme stem, toen zo uitzonderlijk als nu. Veel later bracht het lot ons samen in dezelfde afdeling, en het was een voorrecht om met hem samen te werken – intelligent, kritisch, maar immer, immer positief.

Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt. Ik moet zijn hand geschud hebben, 34 jaar geleden, maar hij heeft me op andere manieren aangeraakt. Telkens als ik iets moois zie – de grootsheid van de natuur, de schoonheid in mensen, de ambiance van een stad, het genot van mooie muziek, een lekkere maaltijd – zal ik even aan mijn oud-collega denken. En zijn glimlach voor mij zien. Hij heeft een steen verlegd in de rivier.

EENS: 7 augustus 2019
ERGENS: Fredvang, Kvalvika Beach
Camera: Galaxy S8

© Alle rechten voorbehouden.

Met vlag en wimpel

Als mijn geheugen mij niet in de steek laat, moet Arnold Schwarzenegger ooit gevraagd zijn wat zijn droom was. Hij was toen al een stoere bodybuilder in Oostenrijk, en zijn droom was om een grote filmster in Hollywood te worden. Toen hij dat zei, moest men eens hard lachen, daar in Oostenrijk. Welnu, Schwarzenegger ging naar Amerika, en aan iedereen die het horen wilde, vertelde hij zijn droom. En daar werd hij niet uitgelachen, integendeel: hij kreeg schouderklopjes om zoveel ambitie, in een land waar naïviteit geen scheldwoord is. Arnold Schwarzenegger werd een filmster, hij werd zelfs gouverneur van Californië.

In 1983 werd hij een Amerikaans staatsburger, en later zei hij daarover (ongetwijfeld met zijn herkenbaar Duits accent): “As long as I live, I will never forget that day 21 years ago when I raised my hand and took the oath of citizenship. Do you know how proud I was? I was so proud that I walked around with an American flag around my shoulders all day long.”

Bij ons is een vlag iets wat ons duidelijk verdeelt; elders houdt een vlag een positieve boodschap in. Zoals in Scandinavië. Het viel me al op in Zweden, nu ook in Noorwegen – op heel veel zomerhuisjes wappert een Noorse vlag. Een teken dat ze blij zijn dat ze erbij horen, en dat ze dat gevoel willen delen met alle burgers. Niet dat ze daar geen samenlevingsproblemen hebben – Breivik ligt nog vers in het geheugen, en in het weekend dat we huiswaarts trokken, is een jonge Noor beginnen schieten in een moskee in Oslo, gelukkig zonder slachtoffers. Maar het gevoel van Noor-zijn, en dat willen tonen met een vlag, dat is hier duidelijk aanwezig.

Een zorgeloze Noorse vlag in Fredvang, boven de poolcirkel. Alle foto’s zijn genomen tussen tien en halfelf ’s avonds; de foto van de zonsondergang heb ik opzettelijk flink onderbelicht. In augustus wordt het hier ’s nachts nooit helemaal donker.

EENS: 6 augustus 2019
ERGENS: Yttresand (Fredvang), op de Lofoten in Noorwegen
Camera: Galaxy S8

© Alle rechten voorbehouden.

Loop en hoop

Half vijf, het is een onmenselijk vroeg uur, maar mijn innerlijke wekker liep vijf minuten vóór op de echte wekker. Buiten was het zeven graden, met een regen die de dappersten van de straat veegt.

Bij Willem Elsschot was het november, en hij worstelde met de beginzin van Het Dwaallicht. ‘Het was beslist een hopelooze Novemberavond, met een motregen zonder respijt, die ook de dappersten van de straat veegt’. Uiteindelijk werd het: ‘Een ellendige Novembermaand, met een motregen die de dappersten van de straat veegt’ (*).

Moet dat nu, vroeg ik, moet het nu regenen? Nu, in april, ‘the cruellest month’? Is het niet genoeg dat het vroeg is, donker en koud? En toen dacht ik: Zo is het goed. Ik vertrok voor enkele rondjes in de Blaarmeersen, de groene long van Gent, waar veel vrijwilligers zich inzetten om geld in te zamelen voor het kankeronderzoek, en om de kankerpatiënten, ‘de vechters’, een hart onder de riem te steken.

Zoals een flagellant, of geselbroeder (waar ik geen enkele verwantschap mee voel) zich het lijden van Christus probeert eigen te maken door zichzelf te geselen, zo mocht ik wel eens iets ervaren van het lijden van wat een kankerpatiënt ervaart, die bovenop zijn ziekte nog tal van andere ongemakken erbij krijgt – pijn, ontstoken gewrichten, misselijkheid, braken, buikloop, uitvallende nagels, haaruitval, hoofdpijn, en zoveel meer. Is zijn ziekte nog niet genoeg? Moet het nu ook nog regenen, en koud zijn?

Wel ja, soms mag dat. En wie, zoals ik, enkele rondjes loopt en wandelt, weet dat hij straks een warm bad mag nemen, en een dutje mag doen. In de gedachte dat hij niet meer heeft gedaan dan zeggen dat hij denkt aan wie vecht tegen kanker.

(*) Elsschot: leven & werken van Alfons de Ridder, door Vic van de Reijt.

EENS: 28 april 2019
ERGENS: Blaarmeersen, Levensloop Gent
Camera: Galaxy S8

© Alle rechten voorbehouden.

Holy food!

Soms denk ik, diep vanbinnen, dat ik misschien wel wat conservatief ben. Ik heb niets tegen verandering, maar ik weet wel: nieuw is niet altijd beter. Maar soms besef ik ook wel dat mijn vasthouden aan het vertrouwde een af te keuren eigenschap is. Neem nu een plek waar ik graag kom: de stadsbibliotheek in De Krook. Een mooi gebouw, vind ik nu. Toen je daar de kranten kon lezen op de vierde verdieping, zat ik er vaak tussen de studenten die hier kwamen zoeken naar een inspirerende studieomgeving. Daardoor was het er zo stil. En nu is het hoekje voor de krantenlezers verplaatst naar het gelijkvloers, vlak naast het Krookcafé. Moest dat nu? De nieuwe bibliotheek is meer dan een plek waar boeken staan, het is, zo herhaalt men keer op keer, een beleveniscentrum. Dus als je nu een krant leest, zit je gezellig in de drukte en – soms – tussen joelende kinderen, want joelende kinderen tot de orde roepen, dat hoort ook niet meer, zelfs niet in een bibiotheek. Kijk, daar zie je weer de conservatief in mij.

In een ver verleden, in de jaren zeventig en tachtig, was de Openbare Stadsbibiliotheek gehuisvest in de Ottogracht, dicht bij Sint-Jacobs. Ik fietste er vaak naartoe. De bibliotheek was toen nog géén beleveniscentrum. Je ging naar de balie, en je vroeg een boek, en na wat wachten kwam er iemand terug met wat je had aangevraagd. Je kon er geen kranten lezen, laat staan een café latte drinken. Maar er waren wel boeken. En fichebakken.
Johan Daisne was hoofdbibliothecaris in Gent van 1945 tot 1977. Hij heette eigenlijk Herman Thiery, en stamde uit een adellijk geslacht dat afkomstig was uit het departement Aisne, in het noorden van Frankrijk. Hij geniet nog enige bekendheid als de auteur van De trap van steen en wolken, en van De man die zijn haar kort liet knippen, maar het magisch realisme is nu wat uit de mode. Heel soms kon je hem in de bibliotheek zien, en hij zag eruit wat hij was: een bibliothecaris.

Naast het neo-classicistisch gebouwtje waarin de bibliotheek gehuisvest was, had je de Baudelokapel, en het is in deze kapel dat in 1765 de achtjarige Wolfgang Amadeus Mozart op het (toen) nieuwe orgel speelde van de abdij van de cisterciënzers. Wolfgang, zijn zusje Nannerl en papa Leopold logeerden in het schuttershof van de Sint-Sebastiaansgilde op de Kouter (naast het huidige operagebouw). Papa Leopold schreef in één van zijn reisschriftjes “à Gent / Logé à St: Sebastien. Auf dem Parade Platz./ auf dem Turm die Statt übersehen. Den Carillon betrachtet, und ein paar kürchen [sic] / besehen.” (Bron) Gent was toen beroemd voor zijn carillon in het belfort. Opvallend: het schuttershof waar de Mozarts logeerden bestaat nu niet meer, maar de bibliotheek verhuisde precies daar naartoe, in 1980, in een gebouw dat nu een vestiging is van de Standaard Boekhandel.

Toen de bibliotheek in 1992 naar De Zuid verhuisde, vroeg ik me af: Moest dat nu? Ik vond dat een bibliotheek thuis hoorde in het centrum van de stad, ook al was het gebouw lelijk en te klein. De bibliotheek was tot 2017 gehuisvest in ‘het propagandacentrum’ van de Electriciteits-, Gas- en Waterdiensten (E.G.W.) van de stad Gent. Het woord propagandacentrum werd toen – we spreken van de jaren vijftig – zonder blikken of blozen gehanteerd. Toen dat gebouw in 1986 handen kwam van EBES (nadien Electrabel, dan Engie), trok de stadsbibliotheek erin. Het duurde een hele tijd voor ik kon wennen aan de nieuwe locatie, maar uiteindelijk vond ik het een leuke plek. En toen de plannen voor De Krook bekend raakten, dacht ik: Alweer verhuizen – moet dat nu? Maar kijk, ik ben nu gewend aan De Krook, en de koffie en de boterkoeken smaken er heerlijk. En als je een boek of CD zoekt, vind je vast wel iets op de computerterminal.

Toen ik laatst De Krook uitstapte, wou ik nog eens gaan kijken naar de bibliotheek mijner jeugd. In mijn tijd, en dat zijn drie woorden die men in de mond kan nemen als men de jaren des verstands heeft bereikt, welnu, in mijn tijd, moest je de trappen van een neoklassiek portaal opgaan. Op het fronton staat nog altijd: OPENBARE STADSBIBLIOTHEEK. Dan moest je naar rechts, door een eerder smalle, maar hoge dubbele deur. Ik had er als jonge knaap geen besef van dat ernaast een kapel lag, en dat een piepjonge Mozart hier ooit op het orgel speelde. De vleugel van de bibliotheek, die is nu dicht, maar nu is er een deur gemaakt naar de Baudelokapel. Nu vind je daar de Holy Food Market, met tal van eettentjes – Napolitaanse pizza, de keuken van Lissabon, een plek waar rundsvlees de specialiteit is, en een oester-en-champagnebar. Een kapel waar je kan eten en drinken… vroeger zou ik misschien gedacht hebben: Moet dat nu? Moet alles nu altijd anders? Maar nee, het ziet er best gezellig uit, vind ik. En die bouchotmosseltjes, die moet ik er eens proberen, want zeg nu zelf, waar vind je dat nog?

Wie weet ben ik toch niet zo conservatief.

EENS: 11 april 2019
ERGENS: Baudelokapel, Beverhoutplein, Gent
Camera: Galaxy S8

© Alle rechten voorbehouden.

De uitvreter

En ’t water klotste en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag door ’t Noorden. En t’ laatste licht van den dag schoof mee door ’t Noorden en werd ’t eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte de eene dag aan den anderen, zoals dat in Juni altijd is.

     Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z’n as en vervolgde z’n baan om de zon en had er geen weet van. Maar de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door de dagen, alsof ’t zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen avond zou worden.

Nescio, De uitvreter (1911) 

 

Op het einde van zijn eerste roman (eerst gepubliceerd in De Gids in 1911) laat Nescio zijn hoofdfiguur Japi, ‘de uitvreter’, van deze wereld stappen, in datzelfde, eenvoudig-grootse proza:

Op een zomermorgen rond half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is hij van de waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de gaten. “Maak je niet druk, ouwe jongen,” had Japi gezegd, en toen was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten. Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er afgestapt.
Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aan de muur zes briefjes met G.v.d. er op en een met ‘Ziezoo’.
De rivier is sedert naar het Westen blijven stromen en de menschen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.
Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.

 

Eens: zondag‎ ‎13‎ ‎juli‎ ‎2014 19:47
Ergens: Mykonos

© Alle rechten voorbehouden

De Profundis

IMG_2296

Als ik op reis een kerkhof zie, ga ik er graag eens binnen. Ik hou niet van de dood, maar de dood mag niet verdwijnen uit ons leven. In de dood zijn we allemaal gelijk, dus elk kerkhof voelt altijd wat vertrouwd aan. Harten, kaarsen, bloemen, de namen, gekerfd in steen of gedrukt op een gedenkplaat, het gemis, en de tijd, die de wonden heelt. In 2007 bezocht ik in de streek van Quéras, in de zuidelijke Alpen, een piepkleine begraafplaats, rondom de L’église Saint-Romain de Molines-en-Queyras. Waar je bij ons vooral heidekruid ziet rond de graven, zie je hier (aangeplante) edelweis-bloemen.

Antoine Martin en Suzanne Bellon overleden in 1895, het jaar van de affaire Dreyfuss in Frankrijk, op 48-jarige en 44-jarige leeftijd, regretté(e) de tous ses parents. Waren ze getrouwd?, zo vraag ik me af.

Op het einde van de negentiende eeuw bedroeg de gemiddelde leeftijd amper een jaar of veertig, maar de leeftijd waarop de meeste volwassen mensen stierven, was toch wel ongeveer zeventig jaar. De ouders van Antoine en Suzanne leefden nog toen hun kinderen overleden, en hun verdriet zal wel niet minder groot geweest zijn als wanneer iemand heden ten dage een kind verliest. Of wel? Ik beeld me in dat de dood vroeger wel een stuk gewoner was dan heden ten dage. De middeleeuwen werden, volgens historicus Johan Huizinga, gekenmerkt door de felheid van het leven, maar evenzeer door de dood, die altijd en overal aanwezig was, zoals in de vele danses macabres die de mensen herinnerden aan de vluchtigheid van dit aardse leven.

Antoine en Suzanne overleden in hetzelfde jaar als Louis Pasteur, de chemicus die ontdekte dat wat de mensen ziek maakte, vaak micro-organismen waren. Zijn onderzoek leidde tot vaccins en ‘pasteurisatie’, wat de levensverwachting van de mensen sterk deed toenemen. Zelf overleed hij op 72-jarige leeftijd, maar hij wist dat hij door zijn werk eeuwige roem zou vergaren. In 1851 schreef hij in zijn dagboek: “[…] ik sta op het punt geheimen te doorgronden en de sluier die ze bedekt wordt almaar dunner. De nachten zijn me te lang, maar ik klaag niet. Het voorbereiden van mijn colleges kost me geen moeite en ik kan mij vaak vijf dagen per week helemaal aan het laboratoriumwerk wijden. Madame Pasteur berispt me dikwijls, maar ik stel haar gerust door te zeggen dat ik haar naar roem zal leiden.” (Wikipedia)

Voor de twee jong-overledenen in dit minuscule bergdorp rest ons niet meer dan dat waartoe de gelovigen worden opgeroepen: een ‘de profundis’, of Psalm 130, bidden: Du fond de l’abîme je t’invoque, ô Éternel! Seigneur, écoute ma voix! Que tes oreilles soient attentives à la voix de mes supplications!

Eens: Dinsdag 24 juli 2007
Ergens: L’église Saint-Romain de Molines-en-Queyras, Frankrijk
Camera: Canon PowerShot G3
© Alle rechten voorbehouden

Il Papa è morto!

016_Sorrento_PapaMorte

Op twee april 2005 overleed paus Johannes-Paulus II. Hij was al een tijd erg ziek, maar aftreden, daar dacht hij niet aan, of misschien kon hij daar niet meer aan denken. Ik vermoed het eerste: Johannes-Paulus II was een stevige en koppige paus met Poolse roots. De eerste niet-Italiaanse paus sinds de zestiende-eeuwse Adrianus VI, die uit Utrecht kwam, vóór ze daar de paapsen buitenkegelden.

Als een paus sterft, is dat groot nieuws, en al zeker in Italië. De man op de foto heeft, in Sorrento, het mooiste gezicht op de baai van Napels. Toch is hij verdiept in zijn krant, Il Mattino, met de kop: De paus is dood. Begrijpelijk dat hij niet ziet dat ik hem in het vizier heb.

015_Sorrento_PapaMorto

Hotel Loreley et Londres ziet er wat vervallen uit. Ik weet niet of het er nog is, en of het niet is omgebouwd tot een luxeresort zonder ziel, zoals wel eens gebeurt met verborgen pareltjes.

Aan schitterende vergezichten is er in dit stukje Italië geen tekort. Het mooiste terras dat ik ken, moet dat van Rossellini’s zijn, in Ravello, en ja, ook Ravello moet tot het mooiste behoren dat ik ooit zag, met de Villa Cimbrone, en Villa Rufolo. Als je vanuit de tuinen de zee ziet, lijkt het wel alsof je vanuit de hemel naar beneden kijkt.

Het restaurant heet nu Rossellini`s Italian Restaurant & Lounge Bar. Met dat laatste stukje tonen ze dat ze mee zijn met hun tijd. Hun Michelinster hebben ze nog altijd, en de beschrijving uit de rode gids klopt: This elegant, sophisticated restaurant offers breathtaking views of one of the most stunning stretches of the Amalfi coast from its summer terrace – diners have the impression here of being perched between the sea and the mountains.

Van het eten kunnen we niet meespreken, maar Le Grand Dessert au Chocolat, dàt was op zich vaut le voyage!

167_Ravello-Rosselinis

171_Ravello-Rosselinis

Eens: April 2005
Ergens: Sorrento en Ravello
Camera: Nikon D90
© Alle rechten voorbehouden

Lorenzo Ghiberti, Firenze

DSC_0035-rr

In april 2012 bezochten we Firenze. In die tijd maakte ik tegen de kinderen een grapje, over hoe ik mijn toekomstige schoonzoon of schoondochter zou goedkeuren of afkeuren. Dat zou ik doen met een quiz, met voor elke vraag twee mogelijke antwoorden. Eén goed, één fout, zo simpel kan het leven zijn. Vragen waren bijvoorbeeld: David Bowie of Tom Waits? (Fout antwoord: Bowie). Micheal Jackson of Prince? (Fout antwoord: Jackson, en dat was in tempore non suspecto). Firenze of Venetië? Bij die laatste vraag twijfelde ik, maar zoals ik leerde van Bomans, is een fanaticus een weifelaar die een besluit genomen heeft, en ik koos voor het streng-schone Firenze boven het wat wufte Venetië. Maar kijk, nu slaat de twijfel weer toe, en gelukkig maar.

Als tiener – nu toch al een jaar of veertig geleden – bezocht ik beide steden eens met mijn moeder. Ik herinner mij dat ik mijn hoofd drukte tegen het hekken rond het baptisterium, om goed te kijken naar de bronzen deuren van Lorenzo Ghiberti, en toen ik even naar rechts keek, zag ik een hand, met een kanjer van een ring aan een vinger. Van die ring maakte ik een foto. Vele jaren scande ik de dia in; ik moet nog een stofje wegretoucheren.

Deze slideshow vereist JavaScript.

Zoals gezegd, vele jaren later was ik hier weer, en nu keek ik met meer aandacht naar de bronzen deuren met de scènes uit het Nieuwe en het Oude Testament. Ik zocht naar het kopje van de kunstenaar, die zichzelf vereeuwigd had in zijn bronzen deuren.
De foto’s die ik in 2012 maakte, sluiten aan bij lijn foto’s uit mijn tienerjaren. Een beeld van de stad, gezien vanuit de Uffizi, een processie die de kerk verlaat, bekeken door een smart phone.

Ghiberti (1378-1455) behoorde tot de vroege renaissance. Hij was de zoon van Cione di Ser Buonaccorso Ghiberti, maar vermoedelijk was zijn echte vader Bartolo di Michele, de man waarmee zijn moeder trouwde na de dood van Cione. Bartolo was een goudsmid, en hij leerde de jonge Ghiberti de knepen van het vak. In 1421 liet de stad Firenze door een wedstrijd bepalen wie de nieuwe deuren voor het baptisterium zou mogen maken. Ghiberti was de stad ontvlucht voor de pest en verbleef in Rimini, maar hij kwam terug om zijn ontwerp in te dienen. Hij was toen 21 jaar, en kwam als winnaar uit de bus. Een andere kandidaat was Brunelleschi, de architect van il duomo.
Het duurde meer dan twintig jaar vooraleer Ghiberti de opdracht kon afmaken, maar het resultaat was fabuleus. Toen Michelangelo dit werk jaren later zag, verklaarde hij de bronzen deuren ‘de poort naar het paradijs’ (Porte del Paradiso). In 1425 kreeg Lorenzo Ghiberti opnieuw een opdracht, om twee andere bronzen deuren te maken, nu met scenes uit het Oude Testament. Daar werkte Ghiberti nog eens 27 jaar aan.

Het mooiste is dat de kunstenaar zichzelf vereeuwigde in zijn werk. Prachtig was dat, een kalende man, met een vriendelijke glimlach. Het lot was hem gunstig gezind geweest. Vasari noemde de deuren van het baptisterium “ontegensprekelijk perfect op elke manier, het mooiste meesterwerk dat ooit gecreëerd werd”. Ghiberti was meer bescheiden:  ‘Het meest speciale werk dat ik ooit maakte’.

Die bescheidenheid, die zie je, in zijn kopje. De jongeman van 21 was een kale vijftiger of zestiger geworden, en hij kon tevreden terugkijken op zijn carrière.

Firenze-ring

Eens: Firenze, ca. 1975 en in april 2012
Ergens: Firenze
© Alle rechten voorbehouden