Ik weet niet of er nog dialecten zijn waarin ‘geven’ hetzelfde betekent als ‘voorspellen’, maar ik moest eraan denken toen de weervrouw gisteren aankondigde dat er nevel zou zijn in het noorden van het land. ‘Ze geven mist’, zeggen ze dan in Gent, en dan ben ik alert, want nevel maakt een landschap toverachtig mooi. Zoals sneeuw, maar anders; het verbergt storende elementen, maar creëert ook een dromerig sfeertje, alsof er ineens heksen je pad kunnen kruisen. ‘Fair is foul, and foul is fair / Hover through the fog and filthy air,’ zo spraken de heksen Macbeth aan, en we weten dat dat niet goed afliep.
Maar in de buurt van Gent kwam de voorspelling uit (die van de weervrouw, niet van de heksen van Macbeth) – om kwart voor zeven zag ik een mooie nevel vanuit mijn slaapkamerraam, en een uurtje later stond ik al in de Gentbrugse Meersen. 30 procent luchtvochtigheid, maar het sneeuwklokje dacht ongetwijfeld: ‘Voelt aan als honderd procent’.
December 2024, kort voor Kerstmis. Het was erg koud, maar de zon was net opgekomen en verlichtte de grot van Oostakker-Lourdes. Op weg hiernaartoe sprak een man in een soutane me aan. Hij vertelde van het wonder dat hier honderdvijftig jaar geleden geschiedde: acht jaar nadat Pieter De Rudder van Jabbeke het linker scheen- en kuitbeen had gebroken, ging hij al strompelend op bedevaart naar Oostakker-Lourdes. Hij zakte neer op een van de banken naast het beeld van de biddende Bernadette Soubirous, het jonge meisje dat in 1854 de mysterieuze woorden hoorde zeggen in de echte grot van Lourdes: Je suis l’Immaculée Conception (*). Pieter riep de heilige maagd aan en was terstond genezen.
Toen – in op 20 december 2024 welteverstaan – kwamen twee vrouwen aangefietst, één van hen – de jongere – kwam water tappen, maar helaas; er kwam geen water uit het kraantje. Waar er in het echte Lourdes een bron ontspringt, komt het heilig water hier gewoon uit de openbare waterleiding. Onbegrip – hoezo, geen water? Misschien was deze vrouw wel extra vroeg opgestaan om hier water te komen tappen. Ik opperde dat men misschien de watertoevoer had dichtgedraaid omdat het vroor en omdat men de kranen niet wou laten stukvriezen. Ontgoocheling, en dan een duidelijk ‘nondedju’, en weg fietsten zij. Zonder water. Wisten zij wat in Exodus staat geschreven: ‘Gij zult den Naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt’?
Mochten ze jonger geweest zijn, ze hadden misschien OMG geroepen, of jasses of iets anders dat de harde woorden wat omfloerst, maar ik zou toch denken dat zulks nog altijd valt onder ‘ijdel gebruik’.
* Ik kende een gelovige die ervan overuigd was dat een eenvoudig meisje als Bernadette de woorden ‘immaculée conception’ niet kon gekend hebben. Dus sprak ze de waarheid: Maria was aan haar verschenen, met een voor haar onbegrijpelijke boodschap.
Het Christendom lijkt echt wel een religie van het lijden te zijn. Wellicht ook daarom dat kapelletjes zo lang zo populair zijn geweest, als plek waar je kon praten met God, met een heilige, of met Maria over je eigen lijden, zonder je de kop te moeten breken over die onmenselijke religie die je vraagt de andere wang aan te bieden als iemand je slaag geeft, meer zelfs, die je opdraagt lief te hebben wie je pijn doet.
Als je de deur van dit kapelletje openduwt zie je één van de zeven smarten van Maria, de vrouw die gelaten haar opdracht aanvaardt terwijl haar ook gezegd wordt dat een zwaard haar hart zal doorboren (Lucas 2). Alleen in Johannes lezen we dat Maria aanwezig was toen haar zoon aan het kruis werd genageld (Johannes 19), maar we lezen nergens dat ze Jezus op de schoot neemt, in de meest moederlijke van alle poses. Toch is dit een van de Zeven Smarten van Maria.
Eens: december 2024 Ergens: Kapel van Zeven Smarten, Massemen
Zie me hier eens zitten, zo zie ik deze man denken. Hij stut het voetstuk van een nis, die een beeld had moeten huisvesten maar nu nog altijd vacant is. ‘Het geld was op,’ denkt hij ongetwijfeld. De Lakenhalle werd aan het Gentse belfort gebouwd tegen het einde van de vijftiende eeuw, maar deze cul-de-lampe of kraagsteen kan niet zo oud zijn. Daarvoor ziet deze figuur – iemand met een papierrol – er te weinig verweerd uit. Wellicht een creatuur uit de tijd van de grote restauratie denk ik, eind 19de eeuw. Hij kijkt met verbazing naar het gewoel onder hem, weg van de kathedraal, richting Korenmarkt en Veldstraat, het commerciële hart van de stad. Hij zag de straten vollopen met auto’s, die het Sint-Baafsplein gebruikten als parkeerplaats, en zag de auto dan weer de stad verlaten. Hij zag twee wereldoorlogen voorbijkomen, en laatst nog een recente revolutie, die Gent uitriep tot een vrijstaat van licht en liefde. ‘We hebben de pastoors door de voordeur weggejaagd, en nu komen zo door de achterdeur weer binnen.’ Dàt zie ik hem denken.
Ik had het niet gezien toen ik de foto nam – maar toen ik het resultaat zag, moest ik denken aan Tsjechov, en aan De dame met het hondje. Ik weet het, het klopt niet, hier loopt een koppel, en niets doet vermoeden dat deze man en vrouw gebukt gaan onder het Tsjechoviaanse lijden – een persoonlijk drama zonder dat er op het einde van het verhaal enkele doden te betreuren zijn. Verder loopt de hond op de foto aan de leiband, wat in het kortverhaalniet het geval is.
‘Toen hij in het café bij Verne zat, zag hij er een jeugdig uitziende dame die langs de boulevard kwam aangewandeld, een blonde vrouw van tamelijk kleine gestalte met een baret op het hoofd; zij werd gevolgd door een witte keeshond’.
De vertaler, Charles B. Timmer, maakt er een keeshond van. In de Engelse vertaling is dat a white Pomeranian, ook een soort keeshond van Duitse origine (Pommeren). Omdat ik geen Russisch kan lezen, moet ik een beroep doen op ChatGPT, maar ik twijfel eraan of AI wel zo betrouwbaar is in deze zaken. Het origineel zou dan luiden:
Belaya shpitsevataya sobachka bezhala vperedi – A little white Spitz-like dog was running ahead.
Ik herken dus wel een Spitz of Spits, familie van dezelfde hondenstam, maar het verband met een keeshond zie ik er niet in. Een keeshond is genoemd naar Cornelis de Gijselaar, leider van de Patriotten die in de achttiende eeuw een keeshond als symbool hadden (hun orangistische tegenstanders hadden een mopshond). En de naam Cornelis betekent ‘de gehoornde’, cornuto dus, en een keeshondje zou in dit verhaal van een overspelige relatie wel goed passen. Dmitri ergert zich aan zijn echtgenote, en is haar doorlopend ontrouw. In het verhaal zijn zowel Dmitri Dmitrisj Goerow als Anna Sergejewna ongelukkig getrouwd. Ze beginnen een relatie, en Dmitri denkt dat het wel vlug voorbij zal gaan, zoals bij al zijn vorige veroveringen, en dat waren er blijkbaar heel wat. Maar het gaat niet over. ‘En eerst nu zijn haar begon grijs te worden, was hij gaan liefhebben, echt en zuiver – voor de eerste maal in zijn leven’.
Je voelt het aankomen, ook omdat je weet dat dit Tsjechov is: dit kan niet goed aflopen. De schrijver biedt geen oplossing. ‘Kom, laten we nu de hoofden bij elkaar steken, misschien vinden we er wel wat op.’ Of dat ook gebeurt, komen we niet te weten.
Eens: 23 september 2024 Ergens: Clemenspoort, Gent
Herman Jaconds had het op Facebook over (o.a.) Anton Deelder. Ik kende de man enkel van naam, en toen ik een foto van hem zag met zijn kenmerkende zonnebril dacht ik: Ach ja, die.
Toen ik vanmorgen de zon zag opkomen, moest ik aan een gedicht van hem denken dat ergens heel groot in een tunnel in Rotterdam te lezen is.
‘Daarom lieve Ari Wees niet bang
De wereld draait rond en dat doettie nog lang’
En van het één komt het ander, van Deelder naar Nescio:
‘De rivier is sedert naar het Westen blijven stromen en de menschen zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog. Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.’
Poëzie, het is me wat. Net als filosofische teksten leiden ze bij mij tot een grote onrust, een angst dat ik niet zal begrijpen wat er staat. Ben ik zoals Batavus Droogstoppel, die argwanend is tegenover ‘woorden in het gelid’?
Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in ’t gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. ‘De lucht is guur, en ’t is vier uur.’ Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als ’t kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in ’t gelid zet, zeggen: ‘de lucht is guur, en ’t is kwartier voor drieën.’ De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan ’t knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen.
Het was op een mooie lentedag, héél vroeg, kort nadat de zon opging, dat ik deze bomenrij fotografeerde in de buurt van Zegelsem. Ik vermoed dat de bomen de Oudenaardsestraat afboorden. Toen ik de foto zag, moest ik denken aan ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, de beginregel van een bekend gedicht van J.H. Leopold, dat me in mijn studietijd in hoge mate intrigeerde. Toen ik in een woordenboek opzocht wat ‘peppels’ zijn (populieren), begreep ik de regel wel, maar waarom deze vreemde constructie? De versregel – met bovendien een wat vreemd metrum – doet aan als letterlijk vertaald Engels of Duits. En waarom ‘woonhuis’ als gewoon ‘huis’ had volstaan? Wie was dat ‘lief’, dat zoek is geraakt, iets waarvan de dichter duidelijk van streek is, want het wordt in elke strofe herhaald?
En toch, in dat hoofd van mij dat hol is, en vol van duisternis, bleef deze beginregel resoneren. Van heel diep kwam hij weer aanwaaien toen ik deze foto zag. En dan vraag ik me af: wie is het toch die, voorovergebogen, zijn rust en vrede niet vindt? En: zijn het peppels, daar in Zegelsem?
Om mijn oud woonhuis peppels staan “mijn lief, mijn lief, o waar gebleven” een smalle laan van natte blaren, het vallen komt.
Het regent, regent eender te horen “mijn lief, mijn lief, o waar gebleven” en altijd door en de treuren uit, de wind verstomt.
Het huis is hol en vol duisternis “mijn lief, mijn lief, o waar gebleven” gefluister is boven op zolder, het dakgebint.
Er woont er een voorovergebogen “mijn lief, mijn lief, o waar gebleven” met lege ogen en die zijn vrede en rust niet vindt.
Eens: 13 april 2024 Ergens: Tussen de Oudenaardsestraat en Het Burreken, in de buurt van Zegelsem
Aan de rand van Horebeke staat er een merkwaardige kapel, gewijd aan de Ronde van Vlaanderen. De winnaars worden er gecanoniseerd sinds 1913, een jaar voor de Groote Oorlog losbarstte, maar het lijstje stopt in 1996. Alsof men toen tot het besef kwam dat het een beetje uit de tijd was om wielrenners te verafgoden als waren het heiligen. Wat ze met heiligen gemeen hebben (in tegenstelling tot voetballers): ze zien af, en soms worden ze voor hun lijden beloond, zelfs hier op aarde. De Leuvense fotograaf Kristof Ramon heeft dat schitterend vastgelegd.
Maar misschien was er in de kapel gewoon geen plaats meer.
Voor wie toch nog even de winnaars van na 1996 in zijn gebeden wil gedenken – dit zijn ze:
1997: Rolf Sørensen 1998: Johan Museeuw 1999: Peter Van Petegem 2000: Andrei Tchmil 2001: Gianluca Bortolami 2002: Andrea Tafi 2003: Peter Van Petegem 2004: Steffen Wesemann 2005: Tom Boonen 2006: Tom Boonen 2007: Alessandro Ballan 2008: Stijn Devolder 2009: Stijn Devolder 2010: Fabian Cancellara 2011: Nick Nuyens 2012: Tom Boonen 2013: Fabian Cancellara 2014: Fabian Cancellara 2015: Alexander Kristoff 2016: Peter Sagan 2017: Philippe Gilbert 2018: Niki Terpstra 2019: Alberto Bettiol 2020: Mathieu van der Poel 2021: Kasper Asgreen 2022: Mathieu van der Poel 2023: Tadej Pogačar
Bien sûr, nous eûmes des orages Vingt ans d’amour, c’est l’amour fol (…) (Jacques Brel, La chanson des vieux amants)
Op zoek met de fotoklas aan de Opaalkust, met wisselend weer, naar mooie landschappen, glooiende hellingen met koolzaad op een achtergrond van een blauw dat je alleen maar aan de zee kan zien, vind je soms wat je niet zoekt. Snapshot van een koppel, stevig ingepakt tegen de kou, want hier bovenop Cap Blanc Nez kan het stevig waaien.
Is het omdat ik net de suggestie kreeg van een Facebookvriend om Proust te leren kennen via Du côté de chez Swann, het eerste, opzichzelfstaande deel van A la Recherche du Temps perdu, dat ik bij dit beeld moet denken aan dat beruchte boek van 2408 bladzijden? De eerste zin is alleszins grandioos: Longtemps, je me suis couché de bonne heure.
Het is een ogenschijnlijke gewone zin, maar zoals ik hem zou vertalen – Gedurende lange tijd ging ik vroeg slapen – voldeed toch niet, maar ik weet niet goed waarom. Na enkele overwegingen komt iemand (een vertaler, neem ik aan) tot dit: Er is een tijd geweest dat ik vroeg naar bed ging.
Ik stel me dat boek van Proust voor zoals deze foto: een stukje natuur dat uit het onderbewuste lijkt te komen, een hekje dat geen ingang is, maar dat toch op slot is – of laat ik me nu leiden door dat ander Frans boek, meer bescheiden van omvang – Le grand Meaulnes, dat ik ooit lang, lang geleden cadeau kreeg van wijlen mijn schoonvader, en dat uit dezelfde periode stamt als het beroemde boek van Proust?
Er was een tijd dat ik vaak de loopschoenen aantrok. Gisteren ging ik ’s ochtends nog eens op pad, met een zeer matige snelheid van zeven kilometer per uur, dat is eigenlijk niet meer dan goed doorstappen. Ik liep in een dreef van zeer oude beukenbomen, en de restanten van de nootjes, vermengd met het grint, deden mijn passen klinken als het kraken van de sneeuw, en dan moest ik denken aan de sneeuw uit nog meer vervlogen tijden, van toen ik een jaar of zes moet zijn geweest, toen ik heen en weer liep tussen ons huis en het huisje van mijn grootouders. Het paadje in de tuin lag ook besneeuwd, en mijn grootvader strooide er as uit de kachel overheen, tegen het uitglijden, maar uitglijden deed ik toch, zij het niet daar, maar op de stoep, en mijn moeder moest mijn nieuwe broek verstellen.
Wel, daaraan dacht ik, zomaar onder het lopen. Er is een tijd geweest.