The meanest flower

Het Hallerbos trekt rond deze tijd duizenden bezoekers uit heel Europa, omdat de bodem van het bos dan bedekt is met boshyacinten. Dat de volkstoevloed zo groot is, is een probleem, want de bluebells verdragen het niet dat men erop trapt. Het kan tien jaar duren vooraleer de knolletjes zich herstellen. Als een tractor zich om één of andere reden een weg zou moeten banen door het bos, zijn de sporen tien jaar later nog te zien door het ontbreken van de blauwe knolgewassen aldaar.
Daarom zijn de paden afgeboord met een dik touw, en pictogrammen moeten duidelijk maken waar je als bezoeker wel en waar je niet mag lopen. Dat weerhield een grote groep van enthousiaste Aziaten er niet van om toch diep in de jungle te trekken, maar kijk, ze moeten geseind geweest zijn want alras zag ik een parkwachter van Natuur en Bos zich naar de plaats delict spoeden, alwaar hij met enkele krachtige fluitsignalen – door hard te blazen op twee keer twee vingers – de natuurvandalen tot de orde riep. Daar kan ik dan jaloers van zijn – ik kan wel zacht een deuntje fluiten, maar zo hard en streng als die parkwachter het deed, dat lukt me niet. Of ze beboet werden, weet ik niet; ik kan me moeilijk voorstellen dat hij een proces verbaal heeft opgemaakt en van elkeen de identiteitspapieren heeft opgevraagd, want de overtreders waren echt wel talrijk.

Maar dat terzijde. In het Hallerbos zie je ook daslook, zij het in minder grote getale, en daartussen, waar de bodem nog drassiger was dan elders, stonden er enkele mooie exemplaren van heermoes, ook wel eens kattenstaarten genoemd, of met de officiële naam paardenstaarten (Equisetum). Er was een tijd dat ik ijverig elke paardenstaart uit mijn tuin verdreef, maar sinds ik weet dat deze plantensoort een levend fossiel is, de enige overblijver uit een geslacht dat ongeveer 100 miljoen jaren geleden de bodem van onze bossen overheerste, heb ik er meer respect voor gekregen. Paardenstaarten verschenen voor het eerst tijdens de Jura-periode. Op de webpagina van RoundUp lees je dan weer dat paardenstaarten een hardnekkig onkruid zijn dat zeer snel woekert en al snel een uitgebreid wortelnetwerk om zich heen creëert. Maar van RoundUp kan je natuurlijk moeilijk iets anders verwachten.

Op de Engelse wikipagina, waar ik alweer de vraag krijg om twee, of zelfs 25 euro te doneren, lees ik dan weer dat het patroon van de afstand tussen de knooppunten bij paardenstaarten, waarbij die in de richting de top van de scheut steeds dichter bij elkaar komen, John Napier zou hebben geïnspireerd tot het uitvinden van logaritmen.
Toen ik deze plantjes daar zo zag staan, badend in een zeldzame zonnestraal, vond ik het ineens een heel mooi plantje. En dan dacht ik aan mijn oude professor Schrickx, al geruime tijd zaliger, en aan zijn citaat van de romantische dichter William Wordsworth uit ‘Ode on Intimations of Immortality from Recollections of Early Childhood’:

‘To me the meanest flower that blows can give
thoughts that do often lie too deep for tears’.

Eens: 20 april 2024
Ergens: Hallerbos

Het Burreken

Het Burreken is een klein natuurgebied geprangd tussen Horebeke, Maarkedal en Brakel. Hoewel het er een plek is waar je nog ‘pure natuur’ vindt, wil ik er ook zoeken naar de menselijke hand in dit diep ingesneden landschap.

Ik bezocht Het Burreken eerst een paar jaar geleden,  en was vooral getroffen door het relatief grote hoogteverschil (diepe dalen, bijvoorbeeld aan de Krombeek), en de mooie bloemen en het daslook die hier zorgen voor een groene en kleurige bodembedekking. Maar ook de menselijke inbreng, die door de tand des tijds een poëtische patine krijgen – roestige hekkens, betonnen paaltjes en schrikdraad, een badkuip als waterbak voor de koeien – maken dit stukje van de Vlaamse Ardennen echt Vlaams. Opvallend is er ook de wat vreemde kapel van de Ronde van Vlaanderen, waar een Christusbeeld gecombineerd wordt met de heiligen van deze streek: Rik Van Steenbergen, Briek Schotte, Rik Van Looy, en nog levende helden die nog niet het statuut van zalige ontvangen hebben: Cancellara, Devolder, Boonen en vele anderen (de chronologie stopt abrupt in 2010).

Een mooi vlonderpad naast de educatieve boomgaard met oude fruitbomen.

Enkele foto’s van 13 april 2024. Het lukte niet om de zonsopgang te ‘vangen’, daarvoor moet je, zoals men zegt, ‘vroeger opstaan’…

Geen echte landschapsfoto’s, maar bloemen zijn toch deel van het landschap?

De tand des tijds (Doornhammeke, Zevergem)

Het huis (nee, niet het huis mijns vaders) was stil ‘daar ’t in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren’. (Zaterdag 9 maart 2024)

Negen jaar had ik de omgeving van het huis mijner ouders (dat klinkt als Van de Woestijnes ‘waar de dagen trager waren’) niet meer bezocht. Op 18 april 2015 was ik er, met mijn vader en met mijn oudste zoon, een mooie en kwetsbare herinnering. ‘Weet je wat,’ zei mijn vader, toen ik hem eens vroeg of hij de Cuba kende, en waar die naam vandaan kwam, ‘we gaan er eens naartoe’. Er stond een bouwvallig, verlaten huisje in de rust van de schaduw van de bomen.

Vorig weekend was ik er nog eens, met een groep fotoliefhebbers, daar op de plek waar blauwe reigers stil overvliegen, waar er koeien zijn, overal, behalve vorige week. Het bouwvallig huisje stond er nog even verborgen, en het was nog bouwvalliger geworden. Waar negen jaar geleden de ramen afgeplakt waren, kon je er nu ongegeneerd binnenkijken. De tijd was er nog meer blijven stilstaan, het vervallen huisje gaf de indruk dat als je er een duw aan gaf, het zou instorten. Een kachel, een tafel met vier stoelen, het voeteinde van een bed, een relaxzetel. Alsof de bewoners hun huis inderhaast hadden moeten ontvluchten, alles achterlatend.

En dat in een idyllisch landschap dat door Lieven Tavernier zo mooi werd bezongen in ‘De Cuba’. Nu, net als toen, vond ik het er bevreemdend mooi, zelfs magisch, alsof er nog goede geesten rondwaarden om mij gezelschap te houden, iets of iemand om in gedachten een praatje mee te maken. Iemand die me zou geruststellen, zeggen dat ik het goed had gedaan, en dan zou ik antwoorden: ‘Jij ook va. Jij ook.’

Zoals Lieven Tavernier zong: ‘De tijd gaat nooit voorbij, voor nonkel Walter en voor mij’.

Het Doornhammeke in 2015

Eens: 2015 en 2024
Ergens: Zevergem, Doornhammeke

Wat blijft

Ik bezorgde een briefje aan de bibliotheek van Gent. Eerst dacht ik om de enveloppe aan te bieden door hem tussen mijn CD’s te stoppen die ik terugbracht, maar ik heb hem dan toch maar aan een heel vriendelijke baliemedewerkster afgegeven. ‘Voor u en voor iedereen in de bibliotheek,’ zei ik erbij, en ze leek zelfs blij verrast.

Maar eigenlijk mag iedereen dat briefje lezen. Vooruit dan maar!

Aan de directie en de medewerkers van de bibliotheek

Geachte heer, geachte mevrouw,

Ik wil u allen – directie en medewerkers van de bibliotheek – bedanken om jarenlang CD’s ter beschikking te stellen. Ik ga al meer dan 50 jaar naar ‘de bib’, en heb intussen honderden boeken en CD’s kunnen ontlenen. Die CD’s eerst voor 50 cent per stuk, daarna helemaal gratis. Ik maakte kennis met de klavierstukken van Bach en de Chants d’Auvergne van Canteloube, met Oscar Peterson en Eric Dolphy, met Jan Gabarek, met de volledige opnamen van Blood on the Tracks, en nog veel, veel meer.

Het is een schat die ze mij niet meer kunnen afnemen. Dus, daarvoor: dank u wel.

Ik las dat u grondig hebt nagedacht om de CD-collectie af te bouwen. Dat u de CD’s te koop hebt aangeboden. Dat er dan nog eens een deel als ‘afdankertje’ werd versnipperd voor een installatie op het laatste Lichtfestival. Dat laatste deed toch pijn.

Het doet me besluiten dat men grondig kan nadenken, en dan toch een verkeerde beslissing nemen. Ik merk dat de ruimte waar de CD’s stonden, nu jongeren zitten, turend naar het scherm van hun mobieltje. ‘Ik weet wel het is hun goeie recht, de nieuwe tijd, net wat u zegt, maar het maakt me wat melancholiek’ – tiens – zou Wim Sonnevelt nog beschikbaar zijn? O ja, Léo Ferré, die van het origineel (La Montagne), heb ook nog leren kennen via de bibliotheek.

Ik kijk het even na, want helaas, wat er overblijft aan CD’s, is wel ernstig geamputeerd. Er is geen overwogen selectie overgebleven; de collectie werd willekeurig geamputeerd. Maar ik zal blijven zoeken naar pareltjes die wachten om door mij ontdekt te worden. Voor alles verdwijnt, om plaats te maken voor… ja, voor wat eigenlijk?

Maar laat ik besluiten, ten derde male, met een dankuwel.

WG:
Mark De Mey

EENS: 28-2-2024
ERGENS: De Krook, Gent

PS: Ik kreeg een vriendelijk bericht terug met onder andere deze cijfers:

“Tot halfweg 23 werden gemiddeld 5.500 cd’s per maand uitgeleend, itt 12.000 per maand in 2018. In de hoogdagen van de muziekafdeling waren dat er zelfs méér dan 25.000 per maand. Op 5 jaar tijd is de vraag naar deze collectie met meer dan 50% gedaald en die daling houdt maand na maand aan.”

Uitgaan/uit gaan

Er wordt wel eens gesakkerd op Facebook. Jazeker, je vindt er hopen rommel en onnozelheden waar je zonder de sociale media niet mee zou lastiggevallen worden. Misery acquaints a man with strange bedfellows, denk ik dan – wat ik bedoel: wees ook op Facebook kieskeurig in de vriendschappen die je zoekt en vindt.

Ik heb al pareltjes gevonden op Facebook. De kronkels van de barokke taalvirtuoos Herman Jacobs bijvoorbeeld, die per week meer boeken leest (en bespreekt) dan ik in een vol jaar, zijn altijd een plezier om in te duiken. Om het niet kwijt te raken, herneem ik een gedicht dat hij God-weet-waar gevonden heeft. Zomaar, omdat het zo mooi is, en om het vast te houden. Want iets terug zoeken op Facebook, dat is een ander verhaal.

Make-uplucht

De dag zei: ‘Stop,
genoeg gedaan,
ik maak me op
om uit te gaan.’

Van de mij onbekende Albrecht Laureyns.

Kijk, daar hou ik van: een gedicht waar ik niet bang van hoef te zijn.

EENS: 30-1-2023
ERGENS: Gentbrugse meersen

Rombouts, (soms) subliem

Het

Het Museum voor Schone Kunsten bestaat 225 jaar, en viert dat met enkele tentoonstellingen van oude meesters die belangrijk waren voor het Gentse museum. Recent was er een heel knappe overzichtstentoonstelling over de peintre de Gand, Albert Baertsoen, en vorige week opende Theodoor Rombouts, die gemakshalve in de markt wordt gezet als ‘virtuoos van het Vlaamse* caravaggisme’. Het MSK heeft een bijzondere band met de Antwerpse schilder. In 1860 is de ‘Allegorie van de vijf zintuigen’ (1632) het eerste kunstwerk van de hand van een oude meester dat aangekocht wordt door het museum. Het MSK heeft nog twee andere belangrijke werken van Rombouts in collectie: de ‘Allegorie van het Schepengerecht van Gedele’ (1627-28), Rombouts’ grootste doek, en ‘Bij de tandentrekker’ (ca. 1628), een typische carravageske waarschuwing tegen oplichters. En de imposante Kruisafneming heeft als thuisbasis de Gentse Sint-Baafskathedraal.

Het MSK plaatst Rombouts wat in de schaduw van de grote barokschilders Rubens en van Dyck, én van zijn grote Italiaanse voorbeeld Caravaggio, die in de tijd van Rombouts wel vaker werd nagevolgd met zijn dramatische composities en zijn clair-obscur-effecten. Het niveau van deze schilders haalt Theodoor Rombouts niet, maar hier en daar laat hij wel geniale flitsen zien. Ik beperk mij tot enkele daarvan.

De kop van Prometheus

… En wat een kop! terwijl een arend zich tegoed doet aan de lever van Prometheus, schreeuwt die het uit van angst en pijn.

De tandentrekker

Nog zo een kop! Al lijkt deze jonge man toch verdacht veel op de Prometheus hierboven. Leuk detail: de guitige tandentrekker, met zijn halsketting van tanden, kijkt recht in de lens, en niet naar de kies die hij trekt. Het is dan ook een zelfportret van Rombouts, die met zijn gekrulde snor en zwierige hoed de kijker guitig aankijkt.

Kruisafneming

Van zijn grote doeken ben ik niet zo enthousiast. Ze zijn vooral statig, ongetwijfeld bedoeld om de opdrachtgevers te behagen, maar voor mij missen ze wat diepgang en menselijkheid. Jezus die de handelaars de tempel uit ranselt zou door Caravaggio met meer intensiteit geschilderd zijn; bij Rombouts is Jezus emotieloos, bijna met de ogen dicht.

De monumentale Kruisafneming, een werk dat bisschop Triest verwierf voor de Sint-Baafskathedraal, heeft niet de dramatiek van Rubens. Eén van de figuren links verpinkt, zo lijkt het wel, een stenen traan. Maar dan zie je ineens die prachtige Maria Magdalena met haar lange haren, en dan merk je wel dat Rombouts – zoon van een kleermaker – onovertroffen was in het weergeven van texturen en stoffen. Als je daarop let, zie je onder de ladder door ook ineens een stad in de verte: Jeruzalem, bekeken van Golgotha.

Stilleven

Eén van de allermooiste werken van Michelangelo Merisi da Caravaggio is een stilleven dat hij schilderde rond 1599, en dat sindsdien geldt als het voorbeeld van hoe je fruit moet schilderen. Bij Caravaggio is er, zoals vaak, een dubbele bodem – het fruit is niet perfect, de appel is wormstekig, de bladeren beginnen te verwelken – het leven is eindig, het vlees is gedoemd. Zou Rombouts dit schilderij gezien hebben? In zijn schilderij van Bacchus, waarop Rombouts ook figureert, nu als luitspeler, heft Bacchus wat onhandig een glas wijn omhoog, maar het fruit dat Bacchus in de handen draagt, lijkt zo uit het schilderij van Caravaggio te komen.

Caravaggio, Mand met fruit (Biblioteca Ambrosiana, Milaan). Bron: Wikipedia.

Muzikanten en kaartspelers

Rombouts is ook onovertroffen wanneer hij muzikanten en spelers (kaartspelers , backgammon) in beeld brengt. Anders dan in zijn ‘ernstige’ werken, komen de personen echt tot leven. Zoals in de luitspeler, die zijn instrument stemt en ons intussen met een fronsende blik aankijkt.

* ‘Vlaams’ wordt hier gebruikt in de nu gangbare betekenis van ‘behorend tot de Zuidelijke Nederlanden’, of ook wel: ‘het noordelijk deel van België’, en om verdere oeverloze discussies te vermijden zouden we de naam Vlaanderen, wel eens mogen veranderen in ‘Zuid-Nederland’. Rombouts was een Antwerpenaar, en dus een (Zuid-) Brabander.

EENS: 20 januari 2023
ERGENS: Museum voor Schone Kunsten Gent

Dover Beach

St.-Idesbald, even na zonsondergang

Toen mijn gewaardeerde en zeer productieve Facebooekvriend Philippe Clerick iets schreef over de zee, moest ik denken aan ‘the ebb and flow of human misery’ uit het gedicht Dover Beach van Matthew Arnold.

Dat komt zich vaak in mijn gedachten nestelen als ik de zee zie, zeker als het donker wordt – eigenlijk, als ik de zee hoor. Philippe Clerick vindt die ebb and flow vooral visueel, voor mij is het meer auditief, zoals de dichter zo vaak oproept in Dover Beach om te luisteren.

Listen! Sophocles hoorde de droeve cadens lang geleden ook, niet aan de Noordzee maar aan de kusten van de Egeïsche zee, en zo komt de dichter bij die donkere gedachte, the turbid ebb and flow of human misery.

De klank van de zee doet Arnold dan denken aan het geloof, die sea of faith, die eens de wereld verenigde, maar nu plaats maakt voor duisternis, waar legers op het strand vechten in verwarring, misschien wel verwijzend naar een veldslag op de kusten van Sicilië, waar het zo donker was dat de verwarde soldaten van Athene geen vriend van vijand konden onderscheiden: ignorant armies clash by night.

DOVER BEACH, Mathhew Arnold (ca. 1851)

The sea is calm tonight.

The tide is full, the moon lies fair

Upon the straits; on the French coast the light

Gleams and is gone; the cliffs of England stand,

Glimmering and vast, out in the tranquil bay.

Come to the window, sweet is the night-air!

Only, from the long line of spray

Where the sea meets the moon-blanched land,

Listen! you hear the grating roar

Of pebbles which the waves draw back, and fling,

At their return, up the high strand,

Begin, and cease, and then again begin,

With tremulous cadence slow, and bring

The eternal note of sadness in.

Sophocles long ago

Heard it on the Ægean, and it brought

Into his mind the turbid ebb and flow

Of human misery; we

Find also in the sound a thought,

Hearing it by this distant northern sea.

The Sea of Faith

Was once, too, at the full, and round earth’s shore

Lay like the folds of a bright girdle furled.

But now I only hear

Its melancholy, long, withdrawing roar,

Retreating, to the breath

Of the night-wind, down the vast edges drear

And naked shingles of the world.

Ah, love, let us be true

To one another! for the world, which seems

To lie before us like a land of dreams,

So various, so beautiful, so new,

Hath really neither joy, nor love, nor light,

Nor certitude, nor peace, nor help for pain;

And we are here as on a darkling plain

Swept with confused alarms of struggle and flight,

Where ignorant armies clash by night.

EENS: 11 november 2022
ERGENS: St.-Idesbald

Vlaanderen mijn land

Op Facebook las ik een mooie tekst van Geeraard Goossens, wiens teksten ik vaak twee of drie keer moet lezen om ze te begrijpen, maar nu was het een mooie, eenvoudige bedenking naar aanleiding van de Vlaamse feestdag, 11 juli dus. Goossens verwees naar Tucholsky, die, zo vermoed ik, iets schreef over Duitsland. Goossens tekst deed me denken aan een boek dat ik een jaar of vijftig geleden van mijn vader kreeg: ‘Vlaanderen mijn land’.

Ik ben het eens met Goossens. ‘Vlaanderen is het land waar we geboren zijn, waar we de taal spreken en onze doden zijn begraven.’ Vlaanderen is mijn land. Ik ben er geboren, maar daarom ben ik nog geen vaandelzwaaier. Het is waar ik thuis kom, ook al zijn de bergen er nergens lager. Mijn tenen krullen en mijn maag krimpt ineen als ik de Vlaming zijn taal geweld hoor aandoen, als ik van Gent naar Dendermonde rijd langsheen een eindeloze rij huizen, fermetten en koterijen. Het politieke spel is er weinig hoogstaand, de openbare debatten vaak van een ondraaglijke lichtheid. Ik verlang naar het eindeloze uitzicht in de bergen, de meanderende rivieren in Wallonië, de eindeloze en ongeschonden stranden van Zeeland, de vrije horizonten in Nederland. Ik hoef er niet noodzakelijk fier op te zijn, maar ik ben een Vlaming, en ook een beetje Belg, Bourgondiër en Nederlander. Ik hoef het laatste stukje van Marc Reynebeau niet te lezen, al heb ik dat wel gedaan, gelukkig maar, want nu weet ik dat de gulden sporen eigenlijk niet van goud gemaakt waren. Ik heb 1302 niet nodig om een plek te hebben die ik thuis kan noemen, maar wie weet trek ik er ooit wel eens weg; diep in mij schuilt er misschien wel een hippe kosmopoliet. Maar ook als dat zou gebeuren, wie weet, dan zou ik wel eens ‘Boven Gent rijst’ durven neuriën op 11 juli.

Een fijne Vlaamse feestdag gewenst aan alle Vlamingen, en straks een mooie Belgische op 21 juli!

Ergens: Wenduine by night
Eens: 21 december 2021

Witte donderdag

Het was de Witte Donderdag van het Jaar des Heren 2022. Ik zoek enkele fotolocaties in Gent, de zon schijnt. Onder de Albertina Sisulubrug vind ik wat ik zoek, en ook wat verder, onder de brug van de Lammerstraat, waar je in het water van… ja, van wat eigenlijk, een stukje water tussen Leie en en Schelde, het bewegende silhouet van de Sint-Pietersabdij herkent.

Een jonge vrouw komt me vragen hoe laat het is, en dat vind ik een vreemde vraag, een die je niet vaak meer hoort. Wie heeft er nu geen mobiele telefoon op zak? En waarom vraag je hoe laat het is, als er aan de overkant van de straat een apotheek ligt, met een groen neonkruis dat flikkert en de tijd aangeeft. Zoals kerktorens het zielenleven combineerden met het praktische, zoals de tijd van de dag. Steeds als je wil weten hoe laat het is, denk je aan God. Als het angelus luidt, doe je je pet af en bid je.

Ik haal mijn telefoon boven, en zeg, naar waarheid, dat het kwart over negen is, waarop de vrouw me bedankt, en dan ook de aap uit de mouw komt. Ze zegt me dat ze een Christen is, en ze vraagt me of Jezus ook al in mijn leven is gekomen, want dat is toch iets wat haar bijzonder gelukkig maakt, de merk- en voelbare aanwezigheid van God, nu, maar ook voor het leven na de dood. Ik laat haar rustig uitspreken, en vertel dan dat ik haar overtuiging respecteer, maar dat die van mij toch wat afwijkt. Hemel en hel bestaan wel degelijk, zeg ik, maar ze bestaan beide op aarde, en het is onze verantwoordelijkheid om hier een hemel te maken, en dat dat kan zonder God. Ja, dan heeft ze het over vrije keuze, en nog één en ander, en ze besluit dat ze vandaag aan haar God zal vragen of hij zich ook aan mij zou openbaren, zoals hij dat bij haar heeft gedaan.

Ik vind het wel een fijne gedachte – iemand die mij gedenkt in haar gebeden, en dat terwijl ik nog leef.

Eens: Donderdag 14 april 2022
Ergens: Gent, in de buurt van De Krook, Vooruit, VOKA en de brug onder de Lammerstraat.

Moral bombing

De treurende ouders van Käthe Kollwitz in Vladslo.

Op 23 november werd het huis van de expressionistische kunstenares Käthe Kollwitz (1867-1945) in Berlijn gebombardeerd, van waarvan ze enkele maanden ervoor werd geëvacueerd. ‘De grote woonkamer met de ovale familietafel, de tegelkachel, de tekeningen aan de muur, meer dan een halve eeuw familieleven, niets bleef bewaard,’ schrijft Geert Mak. ‘Op 26 februari 1944 ging de oude Alexanderplatz ten onder in een zee van vuur. Anderhalf miljoen Berlijners waren op dat moment al ausgebombt, uiteindelijk zou 70 procent van de stad tot puin vervallen.’

Käthe Kollwitz overleefde haar man, die stierf in 1940, en haar kleizoon Peter, die als soldaat omkwam tijdens de tweede wereldoorlog. Ze overleefde ook het bombardement op haar huis; ze overleed op 22 april 1945, 16 dagen voor het einde van de oorlog.

Het bombarderen van bijna alle grote Duitse steden was deel van de tactiek van moral bombing, met maar één doel: de Duitsers demoraliseren zonder dat er aan geallieerde kant (Britten en Amerikanen) veel slachtoffers vielen. Het blijft een vreemde term, moral bombing. Driehonderdduizend Duitsers, waarvan 75.000 kinderen, kwamen om het leven in vuurzeeën in Berlijn, Keulen, Hannover en andere steden. De Russen deden hun duit in het zakje door verschillende boten met vluchtende Duitsers te torpederen en vrouwen massaal te verkrachten en vermoorden.

Militair historicus John Terraine merkte op dat de term moral in de richtlijn voor bombardementen niets anders betekende dan ‘het in stukken uiteen rijten van mannen, vrouwen en kinderen’.

Van de Duitsers zou je nog kunnen zeggen: zij hebben de vuurzee, de waanzin van Wereldoorlog II, zelf ontketend; ze hebben ook Londen, Coventry en Rotterdam gebombardeerd en miljoenen Joden de dood ingejaagd.

Maar de Oekraïners?

Bron: Geert Mak, In Europa deel 2, Dresden

Eens: 24 juni 2021
Ergens: Duits oorlogskerkhof in Vladslo