Denkend aan de Boulevard des Américains aan de Gazaanse Rivièra, komt dit beeld mij voor de geest: “My name is Ozymandias, King of Kings: Look on my works, ye Mighty, and despair!”
In 1818 ging P. B. Shelley een competitie aan met zijn vriend en mededichter Horace Smith. Ze zouden elk een gedicht schrijven over farao Ramses II. Rond die tijd was een deel van een kolossaal beeld van de Egyptische heerser naar Londen gebracht. Mocht Shelley vandaag leven, hij had een aanklacht kunnen maken tegen kolonialisme of tegen kunstroof, maar hij kwam met iets anders op de proppen: een sonnet dat wijst op de vergankelijkheid van aardse macht.
Ozymandias
I met a traveller from an antique land Who said: Two vast and trunkless legs of stone Stand in the desart. Near them, on the sand, Half sunk, a shattered visage lies, whose frown,
And wrinkled lip, and sneer of cold command, Tell that its sculptor well those passions read Which yet survive, stamped on these lifeless things, The hand that mocked them and the heart that fed:
And on the pedestal these words appear: “My name is Ozymandias, King of Kings: Look on my works, ye Mighty, and despair!”
No thing beside remains. Round the decay Of that colossal wreck, boundless and bare The lone and level sands stretch far away.
Ik heb geen foto van Ramses II. Ik heb er wel één van Nerva en één van de eerste Romeinse keizer, Augustus. We stonden de beelden van de Romeinse keizers te bekijken op de Via dei Fiori Imperiali in Rome, en ik vroeg mijn kinderen waarom Caesar niet beschouwd kon worden als de eerste keizer. Het antwoord was simpel: omdat Augustus de eerste keizer was. Er kan maar één de eerste zijn. (Waarom ik Nerva, de twaalfde keizer, fotografeerde is mij een raadsel; misschien dacht ik dat het Caesar was.) Later zagen we nog standbeelden van Romeinse keizers in de Provence, meerbepaald in het theater van Orange. Daar hoorde ik dat de Romeinen een pragmatische kijk hadden op roem en glorie. Beelhouwateliers maakten in grote reeksen beeldhouwwerken van mensen in een keizerachtige pose en klederdracht, maar zonder hoofd, en verscheepten die naar alle hoeken van het keizerrijk. Daar werd er dan een bijpassend hoofd op gezet, dat snel kon verwisseld worden als een keizer uit de genade was gevallen, de geest had gegeven of vermoord werd.
Eens: 14 april 2014 Ergens: Rome, Via dei Fori Imperiali
In 2025 was ik, na bijna vijftig jaar, nog eens in Pisa, waar ik de tijd – niet verloren, alleen vergane tijd – achterna holde. Ik zocht er niet alleen een muur met een regenpijp en een getralied raam, maar ook een detail van de bronzen poort van de dom, waar de drie wijzen uit het Oosten, of koningen, op staan. De dom was betalend, maar de poort mocht ik wel gratis fotograferen. De foto lijkt dezelfde, maar toch; links zie je het bas-relief van het eind van de jaren 70, rechts een kopie. De poorten van de dom staan nu in het museum en zijn vervangen door een kopie.
Over de barre tocht van de drie koningen schreef T.S. Eliot een indrukwekkend gedicht, kort na zijn toetreding tot de Anglikaanse kerk. Na een zware reis hebben ze de plaats gevonden – Finding the place; it was (you may say) satisfactory. En toch heeft deze tocht hun leven veranderd. In hun oude wereld waren ze niet meer thuis. Zoals collega-dichter Yeats, in een andere context, zou schrijven: all changed, changed utterly – a terrible beauty is born.
Journey of the Magi T. S. Eliot 1888 – 1965
A cold coming we had of it, Just the worst time of the year For a journey, and such a long journey: The ways deep and the weather sharp, The very dead of winter.’ And the camels galled, sore-footed, refractory, Lying down in the melting snow. There were times we regretted The summer palaces on slopes, the terraces, And the silken girls bringing sherbet. Then the camel men cursing and grumbling And running away, and wanting their liquor and women, And the night-fires going out, and the lack of shelters, And the cities hostile and the towns unfriendly And the villages dirty and charging high prices: A hard time we had of it. At the end we preferred to travel all night, Sleeping in snatches, With the voices singing in our ears, saying That this was all folly.
Then at dawn we came down to a temperate valley, Wet, below the snow line, smelling of vegetation; With a running stream and a water-mill beating the darkness, And three trees on the low sky, And an old white horse galloped away in the meadow. Then we came to a tavern with vine-leaves over the lintel, Six hands at an open door dicing for pieces of silver, And feet kicking the empty wine-skins, But there was no information, and so we continued And arrived at evening, not a moment too soon Finding the place; it was (you may say) satisfactory.
All this was a long time ago, I remember, And I would do it again, but set down This set down This: were we led all that way for Birth or Death? There was a Birth, certainly, We had evidence and no doubt. I had seen birth and death, But had thought they were different; this Birth was Hard and bitter agony for us, like Death, our death. We returned to our places, these Kingdoms, But no longer at ease here, in the old dispensation, With an alien people clutching their gods. I should be glad of another death.
De reis van de drie koningen (vertaling: Martinus Nijhoff)
Het was een koude tocht, en de slechtste tijd van het jaar voor een reis, voor zulk een verre reis. De wegen modderig, het weer guur, de winter op zijn strengst. De kamelen, die hun knieën ontvelden, hun hoeven bezeerden, werden onhandelbaar en legden zich neer in de smeltende sneeuw. Menigmaal dachten we met spijt terug aan onze zomerpaleizen op bloeiende berghellingen, aan meisjes, in zijde gehuld, die gekoelde wijn ronddienden. Onze kameeldrijvers vloekten, kankerden, weigerden dienst, riepen om brandewijn en vrouwen. Onze kampvuren wilden niet branden, onderdak was moeilijk te vinden, de steden waren vijandig, de dorpen stug, de gehuchten smerig en verschrikkelijk duur: het was een ellendige tocht. Tenslotte reisden wij de gehele nacht door, sliepen zo nu en dan langs de wegkant en hoorden gedurig in onze oren zingende stemmen, zeggend: jullie onderneming is waanzin.
Eindelijk, toen het licht werd, daalden we neer in een luw dal, vochtig, onder de sneeuwlijn, geurend naar groeizaamheid; een beek snelde voort, een watermolen karnde het duister, er waren drie bomen onder een bewolkte lucht, en een oud wit paard galoppeerde door een weiland. Wij kwamen bij een herberg met wijngaardranken boven de stoep. Zes handwerkslieden dobbelden bij de open deur om zilverlingen en zes voetknechten schopten lege wijnzakken over de vloer. Maar niemand kon ons inlichtingen verschaffen, en zo gingen we verder, en bereikten des avonds, geen uur te vroeg, de plaats van bestemming; het was (dat mag ik wel zeggen) de moeite waard.
Dit alles is lang geleden, ik heb het onthouden en zou het over willen doen, maar ik stel, dit vooropgesteld, één vraag: was het doel dat ons dreef geboorte of dood? Wij waren getuigen van een geboorte, zeker, daar is geen twijfel aan. Maar als ik vroeger geboorte of dood zag, dacht ik dat ze tegenstellingen waren. Deze geboorte echter was een onverbiddelijk einde voor ons, een dood, onze dood. Wij keerden terug naar ons land, onze koninkrijken, maar voelden ons niet meer thuis in de oude orde tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen. Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.
‘Een ellendige Novemberavond, met een motregen die de dappersten van de straat veegt. En mijn stamkroeg ligt, helaas, te ver in ’t Westen om op te tornen tegen dat kille gordijn.’
Aldus begint Het Dwaallicht, en de tocht die Laarmans, Elsschots alter ego, met zijn drie metgezellen – omschreven als rijstkakkers en als zwartjes – die hij op sleeptouw neemt, op zoek naar de schier mythische Maria Van Dam, of Fathma, of gewoon de vrouw die met alle drie een rendez-vouw zou hebben, maar die onvindbaar is. Bestaat ze wel?
Het is 14 december 2024, tien uur ’s morgens. Vier graden, voelt aan als min één, en de motregen wisselt af met een snijdende oostenwind, als mijn fotografiebuddy P. lichtjes ontwaart voorbij een bruggetje naar Het Eilandje. Kijk, een café dat open is! Het is zowaar Estaminet Het Licht der Dokken, een naam die zo zou kunnen voorkomen in een roman van Elsschot. Het heeft een ruim terras, maar daar is het nu het weer niet voor, dus wij laten ons binnen vergasten, met een cafébazin die voor mij Maria Van Dam is. Het is duidelijk: dit is een soort bruin café. Geen latte macchiato’s of cappucino met havermelk, maar wel gewone (en lekkere) koffie en thee, desnoods, op aanvraag een kopje Roycosoep. Er klinkt tijdloze muziek in Het Licht der Dokken, toepasselijk Who’ll stop te rain, en iets van de Rolling Stones. Maria Van Dam is van de verbindende soort, ze is Antwerpse maar ze vindt Gent ook een leuke stad. Nog niet zo lang geleden ging ze naar Stef Bos luisteren in Vooruit – excuus: VierNulVier.
Wij – op stap zonder onze leerkracht, dus is het altijd wat tasten in het duister – waren naar iets anders op zoek, iets minder ongrijpbaar: mooie beelden van Het Eilandje voor de lessen Architectuurfotografie. Het soort mensen dat in deze buurt de barre elementen trotseert, en dus stante pede op zoek gaat naar het Havenhuis, intussen een ijkpunt in de haven van Antwerpen, ontworpen door de Brits-Iraakse architecte Zaha Hadid. Ik was blij dat er toch iemand mijn mening deelde, dat dit géén geslaagd ontwerp is. Ik vind het niet mooi om twee redenen. Ten eerste moet architectuur oog hebben voor de bestaande omgeving, en in dit ontwerp wordt wel beweerd dat het hier gaat om een opmerkelijke confrontatie tussen een oud en beschermd gebouw (een brandweerkazerne) en een ontwerp dat refereert aan een schip (dus: de haven) en aan de facetten van een diamant (dus: Antwerpen). Welnu, dat mag allemaal wel kloppen, maar ik vind het gebouw zwaar en dominant. Het verdrukt het oude gebouw dat gebukt gaat onder zoveel m’as-tu-vu. En ten tweede sta ik argwanend tegenover architectuur die uiting moet geven aan hoeveel geld, aanzien of macht de opdrachtgever heeft. Fernand Huts is bij deze gewaarschuwd. Maar intussen levert het wel fraaie plaatjes op.
De snijdende wind veegde de dappersten in de armen van de cafébazin van Het Licht der Dokken. “En wat Maria en Fathma betreft, laten wij niet wanhopen, want de wil des Heeren is immers ondoorgrondelijk.”
Eens: 14 december 2024 Ergens: Het Eilandje, Antwerpen
Zorgvuldig je compositie kiezen, wachten tot er niemand in de weg loopt – en dan zo’n prachtige rode kop haren missen. En dat allemaal om een foto van bijna 50 jaar geleden opnieuw te maken.
Ik dacht lange tijd dat ik nooit op de scheve toren van Pisa heb gestaan. Gewoon omdat ik mij daar niets van kan herinneren. Maar op een oude foto zie ik mijzelf – met wit T-shirt, een jaar of zestien – staan, op de rug gefotografeerd (door mijn moeder, neem ik aan), op die beroemde, sierlijke toren. Mijn herinneringen zijn dus zeer fragmentair én onbetrouwbaar. Ze betreffen details, losse flodders, zoals een fikse lenteregen in Florence, of een hand met een grote ring die een hek vastklemt (op één of andere manier weet ik nog dat dat het voor de bronzen poorten van Ghiberti’s baptisterium is, nog zo’n miracolo). Ik herinner me ook nog dat een schoolvriend – Gino L. – me vertelde dat hij jaloers was dat ik zulk een reis ging maken.
De foto’s tonen Pisa, Firenze, Rome (met het Piazza del Populo vol auto’s!) en Venetië, maar ik heb het gevoel dat de essentie van deze reis mij ointsnapte. De details (hoe reisden we? waar logeerden we? wat zagen we? hoe was het ontbijt?), maar ook dieper – hoe komt het dat mijn moeder deze reis met mij maakte?
Zijn mijn herinneringen het gevolg van de weinige foto’s die ik nog heb? Toch zijn er flarden die blijven hangen zijn zonder een foto. Een gids vertelde het verhaal van de plaatsing van de obilisk in 1586 op het plein voor de Sint-Pietersbasiliek in Rome. Deze delicate operatie moest op bevel van de paus in absolute stilte uitgevoerd worden. Een zeeman uit San Remo zag dat de touwen verhitten en dreigden te knappen en doorbrak de stilte, tegen de orders in. ‘Maak de touwen nat!’ riep hij. Dat redde de situatie. Ik hoor het in mijn herinnering nog weergalmen op het stille plein: ‘Aqua alle corde!’, hoewel het wellicht ‘Daghe l’àiga ae corde! (Ligurisch) zal geweest zijn. Als het hele verhaal tenminste niet apocrief is. Maar het gaat hier om mijn herinnering.
Laatst waren we nog eens in Italië. Vliegen naar Pisa, wandelen naar het centraal station aldaar, met de trein naar Cinque Terre, en daarna naar Lucca en als afsluiter Pisa. Van het station naar Hotel Caffè Verdi, en dan naar de Piazza dei Miracoli. Massa’s volk, hoewel het eind oktober was. Ik ging er op zoek naar iets. Niet de scheve toren, niet de duomo of het battisterio, maar een raam in een fel-okerkleurige muur. Het raam dat ik als tiener had gefotografeerd in de jaren zeventig. Ik had het teruggevonden met Google Street View. Een strakke geometrische compositie die me als tiener moet opgevallen zijn. Ik zag het raam, maar de regenpijp ernaast was verplaatst. De zon ging bijna onder en lichtte een andere kant van de muur op, met een vergelijkbaar raam, dat ik wilde vastleggen, deze keer digitaal. Ik maakte mijn compositie, en wachtte… wachtte… tot de zon goed zat en er niemand voor de lens liep. Mijn bedrijf ontlokte mijn vrouw de opmerking dat als er duizend mensen naar de wondermooie bouwwerken op de Piazza dei Miracoli kijken en één met zijn rug daar naartoe staat om een raam te fotograferen, dat ik dat dan ben.
Pisa, ca. 1975. Achter mij, de dom en het baptisterium.
Ik maakte verschillende opnamen, en mijmerde wat over bijna vijftig jaar geleden en nu, wat ik nog wist en terug had gevonden, en wat er al niet veranderd was. Toen ik thuisgekomen mijn foto’s op de computer bekeek, zag ik dat ik ‘een prachtig ‘moment décicif’ (zoals Henri Cartier-Bresson dat precies benoemt) gemist had. Een vrouw kwam voor mijn lens lopen met haren in precies dezelfde kleur als de muur. Had ik daar oog voor gehad, ik had ze meer prominent in beeld gebracht. Ik was zo obsessief bezig met het reconstueren van het verleden dat ik het nu-moment miste. Zoals mijn godsdienst- en estheticaleraar Jef Lambert, een priester met de allures van John F. Kennedy, placht te zeggen: Maak van elk nu-moment een monument. De Deense filosoof Sören Kierkegaard schreef iets in dezelfde zin: Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar het moet voorwaarts worden geleefd.
O ja, voor ik het vergeet:
Vliegen met Ryanair Brussel-Pisa. Cinque Terre Express naar Vernazza. Overnachten in een appartement in Via Roma (of was het Via Visconti?) Trein naar Lucca, overnachten in Vicolo San Pierino nummer 8. Trein naar Pisa, overnachting in Hotel Caffè Verdi en terug te voet naar de luchthaven. Wie er bij was, dat vergeet ik nooit. Toch in geen vijftig jaar.
Eens: 28 oktober 2024 Ergens: Pisa
Bovenaan: Pisa, Lucca, Vernazza en Manarola; onderaan Rome, Firenze, Venetië en Pisa in de tweede helft van de jaren 70. Amper toeristen. Het Piazza del Populo in Rome staat vol auto’s.
Er zouden 175 bruggen over de Seine zijn – niet dat ik ze geteld heb – waarvan 37 in Parijs. De Pont Neuf moet wel de bekendste zijn. Of het bruggetje hierboven meegerekend is, blijft een onbeantwoorde vraag. Ze bevindt zich technisch gezien in Parijs, aangezien de Franse hoofdstad in 1864 het stukje natuur kocht in de Côte-d’Or, ten noordwesten van Dijon, waar de Seine ontspringt. Het is een schattig bruggetje, dat zelfs een naam heeft: Pont Paul Lamarche 1902-2003.
Er stroomt veel water onder de bruggen van de Seine, en zoals de Engelsen zeggen: Water under the bridge – je kunt niet veranderen wat gebeurd is, maak je er geen zorgen over, het water stroomt toch naar zee.
Vlakbij is er een Gallisch-Keltisch heiligdom gewijd aan de godin of nimf Sequana. Op de weg zie je een bord naar Alesia. Wie zijn klassiekers kent, weet dat Assurancetourix het bestaan van deze plaats steeds ontkend heeft: ‘Personne ne sait où se trouve Alesia!’
Eens: 18 juni 2024 Ergens: Sources-Seine (departement Côte d’Or, regio Bourgogne-Franche-Comté-)
Een wonderbaarlijk huis was het daar, in de Rue de la Trinité in het oude Troyes. Je ging er binnen via een ijzeren hekken, en dan kwam je op een binnenkoer die toegang gaf tot een drietal huizen, onderverdeeld in verschillende appartementen. Er was een lift, maar als je de trap nam, kreeg je zicht op de daken van Troyes, en zag je de hemel zoals men die al honderden jaren geleden zag. Wolken die ook toen moeten geleid hebben tot mijmeringen zoals die van Martinus Nijhoff in zijn gedicht ‘De wolken’:
De wolken schoven boven ons voorbij En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag. En ik riep: Scandinavië, en: eenden, Daar gaat een dame, schapen met een herder – De wond’ren werden woord en dreven verder (…)
Vlakbij is er een mooi museum: Le Musée de l’Outil et de la Pensee Ouvrière. Gereedschap dus, maar ook een plek om om te denken aan de vakkennis, ervaring en kunde van generaties vakmannen. Wat opgeslagen ligt in het collectieve geheugen van de mensen die de trappen maakten waarop wij naar boven gingen om de wolken te bewonderen.
Bien sûr, nous eûmes des orages Vingt ans d’amour, c’est l’amour fol (…) (Jacques Brel, La chanson des vieux amants)
Op zoek met de fotoklas aan de Opaalkust, met wisselend weer, naar mooie landschappen, glooiende hellingen met koolzaad op een achtergrond van een blauw dat je alleen maar aan de zee kan zien, vind je soms wat je niet zoekt. Snapshot van een koppel, stevig ingepakt tegen de kou, want hier bovenop Cap Blanc Nez kan het stevig waaien.
Het Hallerbos trekt rond deze tijd duizenden bezoekers uit heel Europa, omdat de bodem van het bos dan bedekt is met boshyacinten. Dat de volkstoevloed zo groot is, is een probleem, want de bluebells verdragen het niet dat men erop trapt. Het kan tien jaar duren vooraleer de knolletjes zich herstellen. Als een tractor zich om één of andere reden een weg zou moeten banen door het bos, zijn de sporen tien jaar later nog te zien door het ontbreken van de blauwe knolgewassen aldaar. Daarom zijn de paden afgeboord met een dik touw, en pictogrammen moeten duidelijk maken waar je als bezoeker wel en waar je niet mag lopen. Dat weerhield een grote groep van enthousiaste Aziaten er niet van om toch diep in de jungle te trekken, maar kijk, ze moeten geseind geweest zijn want alras zag ik een parkwachter van Natuur en Bos zich naar de plaats delict spoeden, alwaar hij met enkele krachtige fluitsignalen – door hard te blazen op twee keer twee vingers – de natuurvandalen tot de orde riep. Daar kan ik dan jaloers van zijn – ik kan wel zacht een deuntje fluiten, maar zo hard en streng als die parkwachter het deed, dat lukt me niet. Of ze beboet werden, weet ik niet; ik kan me moeilijk voorstellen dat hij een proces verbaal heeft opgemaakt en van elkeen de identiteitspapieren heeft opgevraagd, want de overtreders waren echt wel talrijk.
Maar dat terzijde. In het Hallerbos zie je ook daslook, zij het in minder grote getale, en daartussen, waar de bodem nog drassiger was dan elders, stonden er enkele mooie exemplaren van heermoes, ook wel eens kattenstaarten genoemd, of met de officiële naam paardenstaarten (Equisetum). Er was een tijd dat ik ijverig elke paardenstaart uit mijn tuin verdreef, maar sinds ik weet dat deze plantensoort een levend fossiel is, de enige overblijver uit een geslacht dat ongeveer 100 miljoen jaren geleden de bodem van onze bossen overheerste, heb ik er meer respect voor gekregen. Paardenstaarten verschenen voor het eerst tijdens de Jura-periode. Op de webpagina van RoundUp lees je dan weer dat paardenstaarten een hardnekkig onkruid zijn dat zeer snel woekert en al snel een uitgebreid wortelnetwerk om zich heen creëert. Maar van RoundUp kan je natuurlijk moeilijk iets anders verwachten.
Op de Engelse wikipagina, waar ik alweer de vraag krijg om twee, of zelfs 25 euro te doneren, lees ik dan weer dat het patroon van de afstand tussen de knooppunten bij paardenstaarten, waarbij die in de richting de top van de scheut steeds dichter bij elkaar komen, John Napier zou hebben geïnspireerd tot het uitvinden van logaritmen. Toen ik deze plantjes daar zo zag staan, badend in een zeldzame zonnestraal, vond ik het ineens een heel mooi plantje. En dan dacht ik aan mijn oude professor Schrickx, al geruime tijd zaliger, en aan zijn citaat van de romantische dichter William Wordsworth uit ‘Ode on Intimations of Immortality from Recollections of Early Childhood’:
‘To me the meanest flower that blows can give thoughts that do often lie too deep for tears’.
Het Burreken is een klein natuurgebied geprangd tussen Horebeke, Maarkedal en Brakel. Hoewel het er een plek is waar je nog ‘pure natuur’ vindt, wil ik er ook zoeken naar de menselijke hand in dit diep ingesneden landschap.
Ik bezocht Het Burreken eerst een paar jaar geleden, en was vooral getroffen door het relatief grote hoogteverschil (diepe dalen, bijvoorbeeld aan de Krombeek), en de mooie bloemen en het daslook die hier zorgen voor een groene en kleurige bodembedekking. Maar ook de menselijke inbreng, die door de tand des tijds een poëtische patine krijgen – roestige hekkens, betonnen paaltjes en schrikdraad, een badkuip als waterbak voor de koeien – maken dit stukje van de Vlaamse Ardennen echt Vlaams. Opvallend is er ook de wat vreemde kapel van de Ronde van Vlaanderen, waar een Christusbeeld gecombineerd wordt met de heiligen van deze streek: Rik Van Steenbergen, Briek Schotte, Rik Van Looy, en nog levende helden die nog niet het statuut van zalige ontvangen hebben: Cancellara, Devolder, Boonen en vele anderen (de chronologie stopt abrupt in 2010).
Eenzame bomen …… en schrikdraad!De klassieke Vlaamse badkuip …… en een prachtige horizon.The human touch…… en mooie luchten.Een mooi vlonderpad naast de educatieve boomgaard met oude fruitbomen.De Krombeek‘Gevoelig plekje’
Enkele foto’s van 13 april 2024. Het lukte niet om de zonsopgang te ‘vangen’, daarvoor moet je, zoals men zegt, ‘vroeger opstaan’…
Geen echte landschapsfoto’s, maar bloemen zijn toch deel van het landschap?
De gids die we deze zomer aantroffen voor het Joodse schooltje in Leeuwarden – hij gaf uitleg aan een groepje waar we geen deel van uitmaakten – zei het wat achteloos, en ongetwijfeld zonder slechte bedoelingen: ‘Leeuwarden kende een bloeiende Joodse gemeenschap van ongeveer 800 zielen. De grote meerderheid kwam om in Auschwitz.’
Omgekomen? Ze werden vermoord, dat ligt dichter bij de waarheid. De jurist en schrijver Abel Herzberg – overlever van Bergen-Belsen en vader van dichteres Judith Herzberg – verwoordde het scherper: ‘Er zijn in de Tweede Wereldoorlog geen zes miljoen Joden uitgeroeid, maar er is één Jood vermoord en dat zes miljoen keer.’
En de moord was met voorbedachten rade. Al in 1941 begonnen de nazi’s met de bouw van vernietigingskampen in o.a. Auschwitz. Kort daarna – begin januari 1942 – kwamen 15 hoge ambtenaren van nazi-Duitsland samen in Villa Marlier aan de Wannsee, een meer ten zuidwesten van Berlijn. Deze conferentie is berucht: hier werd formeel en ambtelijk beslist tot het uitroeien van het Joodse volk; het bekrachtigde de plannen van Hitler, Heydrich en anderen en zette een organisatie op poten om de Endlösing in de praktijk te brengen. Eichman – die niet aanwezig was in Wannsee – zou later de notulen van deze vergadering maken. Hij had vooraf al een lijstje gemaakt met een raming van het aantal Joden in de verschillende landen – 43.000 in België, 160.800 in Nederland.
De Endlösing is een gruwelijk eufemisme voor een systematische en geïndustrialiseerde genocide. Al snel begon men in Europa Joden gevangen te nemen en te deporteren. Struikelstenen herinneren aan deze gruwelijke gebeurtenissen. In Rotterdam stootte ik tijdens een ochtendwandeling op het Noordereiland op zes tegeltjes, die herinneren aan de familie Cohen die gedeporteerd werd naar Westerbork en al snel vermoord in Auschwitz. Elie, 43 jaar, was de oudste; Rebecca, vijf jaar, de jongste. Ook in Leeuwarden vond ik nog andere Cohens op een gedenkplaat, voor een Joods schooltje dat al lang gesloten is. Een opschrift op de muur, een citaat uit Genesis, leest: ‘Het kind is er niet meer’.
De weinige overlevenden van de holocaust konden het niet meer aan om terug te keren naar hun oude stad in Friesland; de meesten emigreerden naar Amerika of Israël. Toch vond ik nog een teken van zeker één Cohen die gebleven is: een handelaar in ijzer en non-ferrometalen. Zijn bedrijf – en hijzelf hopelijk ook – overleefde de gruwel van de holocaust.
Op het monument dat alle namen vermeldt; liggen steentjes, want Joden – praktisch als ze zijn – weten dat bloemen vergaan, steentjes niet. Als het niet te hard heeft gewaaid, ligt ons steentje er nog.
Een Cohen die overleefde, en bleef.
Eens: 27 juni en 2 juli 2022 Ergens: Rotterdam (Willemsbrug) en Leeuwarden