Bijenhotel

Mijn grootmoeder, Marie, waakt over mijn bijenhotelletje. Na de windstoten die het einde van de zomer aankondigden, waren enkele herstelwerkzaamheden aangewezen, en ook de op steen gedrukte foto van Marie, die haar graf sierde, werd even afgestoft. O, dacht ik, kon mijn grootmoeder even, heel even maar, weer tot leven komen.

Dan zou ze zeggen: ‘Dag jongen, hoe gaat het met je? Wat een mooie tuin heb je. In de lente zie ik de seringen bloeien, dan de hortensia’s daar, en de hele zomer door, links van mij, die mooie rozen.’

Dan zou ik antwoorden: ‘Dag mémé (oma was in onze tijd en onze buurt niet gangbaar). Ja, dat is de roos Sweet Juliette, zoals Julia bij Shakespeare, die zeker weet dat een roos net zou lekker zou geuren als ze een andere naam had.’

Marie: ‘Shakespeare? Maar die Julia heeft wel gelijk. De bloem die wij roos noemen, geurt heerlijk, hoe wij ze ook benoemen. What’s in a name? Je vader zei het ook al.’

Ik: ‘Zo is dat mémé. Trouwens, het gaat goed met me. Stel je voor: volgende week met pensioen! Ik heb heel mijn leven geluk gehad.’

Marie: ‘Ik weet het jongen. En bedankt voor de mooie hibiscusbloem. Ik zie trouwens dat je nog de sokken draagt die ik voor je heb gebreid.’

Natuurlijk, Marie, geboren in 1900 in een gezin met 21 (!) kinderen en overleden in 1980, weet nu alles en ziet alles. Zelfs de sokken, meer dan 50 jaar geleden gebreid. Dat ik nu twee verschillende sokken draag, zegt ze beleefdheidshalve niet.

EENS: Zondag 25 augustus 2024
ERGENS: Thuis

Niente macchina!

Ik hou er van om met de doden een praatje te maken. Vooral dan met mijn vader, meer dan met mijn moeder, die net vandaag – Vive Marie, de naamdag van mijn grootmoeder – 101 jaar geleden werd geboren. Met haar heb nooit zo over ideeën, over politiek, kunst, of reizen gepraat zoals met mijn vader.
Een groot voordeel van een gesprek met een dode, is dat je het gesprek volledig in eigen hand hebt. Ik ben dan zelf een alwetende verteller én een personage. Je begint met een anekdote, en dan geef je het verhaaltje een eigen draai.

Pierre Plum herinnerde mij op Facebook aan de anekdote over Verlaine en Kloos, die lunchten in Den Haag, omringd door een troep bewonderaars die geen woord van de literaire goden wilden missen, zeker niet wanneer Verlaine zich naar Kloos boog en men de onsterfelijke woorden hoort ‘Monsieur Klooze, aimez-vous la salade?’. Mijn vader had dit zeker schitterend gevonden, en ik durf te wedden dat hij zou zeggen dat hij, ook, een God was in het diepst van zijn gedachten.

Laatst raakte ik weer aan de praat met mijn vader. Augustus is, zoals iedereen weet, de maand om de hagen te scheren. Ga je de haagbeuken of buxussen te vroeg te lijf, dan loop je het risico dat de planten weer aan het schieten gaan, wat geen gezicht is. Als laatste was de taxus aan de beurt. Waar iedereen in de buurt lawaaierig gereedschap gebruikt, scheer ik het liefst met de hand – het maakt minder herrie en de haag wordt fijner geknipt. Als ik dat alles dan aan mijn vader vertel, komt hij zeker op de proppen met die keer dat hij in zijn geliefde Italië naar de kapper ging, en dat die barbiere achteraf parmantig zegt: Ziezo signore, het is klaar, en; niente macchina – alles met kam en schaar, een tondeuze komt er bij mij niet in. Dan zie ik mijn vader met zijn hand door zijn denkbeeldige haardos gaan, en dan voegt hij eraan toe, met de zelfrelativerende humor hem eigen: ‘Maar misschien had hij het beter toch con macchina gedaan’.

Leuke babbels in mijn hoofd zijn dat, al mis ik heel hard de echte gesprekken met mijn vader.

Eens: 15 augustus 2024
Ergens: thuis

Geuzenhoek (Korsele)

Op een klein kerkhofje in Korsele staat een machtige treurbeuk die ongeveer honderdvijftig jaar oud is. Hij laat zijn takken troostend over de graven eronder hangen, en dan denk ik aan zijn wortels, zoals Anne Philipe het verwoordt wanneer ze de bomen bij het graf van haar man ziet staan… les arbres qui t’encadraient de leurs racines. Aan de stam, zes meter diameter, staat een grafsteen van 1867 die door de boom helemaal wordt opgenomen. ‘Souvenir d’un ami’. Hier rust iemand (Jean-Baptiste?) die overleed in 1867 op de jeugdige leeftijd van 25 jaar (‘J.B. Mazure décédé à l’age de XXV ans le XXIII juin MDCCCLXVII’). De treurbeuk is rond 1860 aangeplant en was toen nog een klein boompje.

Ook opvallend: het kerkhof ligt vol met ‘Blommaerts’ – nakomelingen van een zekere Jacob Blommaert, een bosgeus uit de zestiende eeuw en medestander van Willem van Oranje. Teken dat het hier gaat om een kleine, gesloten (protestantse) gemeenschap, dat terecht een citaat uit Lucas 12:32 als lijfspreuk voert: ‘Vrees niet, gij klein kuddeken; want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven’.

Ik kwam er aan bij valavond, en hoopte dat het kerkhofje nog open zou zijn én dat er wat verlichting zou zijn. Ja hoor, het was open, én er was licht. Net toen ik de foto wou nemen, ging het licht uit.

Meer info (onder andere):

Vrees niet, gij klein kuddeke, door Kaat Schaubroeck (De Standaard, mogelijk achter een betaalmuur).
De treurbeuk aan de protestantse kerk van Korsele (Tussen.Tijd.be)

Eens:
Ergens: Protestants kerkhof in Korsele

Mozes met hoorntjes

Ik had in het voorlaatste jaar van het middelbaar les van Jef Lambert, een priester van de moderne soort met de uitstraling van John Kennedy. Zijn lessen godsdienst waren nogal saai, maar voor het vak Esthetica dat hij ook doceerde, had ik veel belangstelling. We gebruikten het handboek ‘Kunst van Altamira tot heden’, en ik meen mij te herinneren – maar het geheugen kan mij bedriegen – dat hij uitleg gaf over Claus Sluter en zijn Mozesput in Dijon, een gebeeldhouwde sokkel met de beelden van zes profeten waarvan Mozes de belangrijkste was. Waarom had Mozes hoorntjes op zijn hoofd? Daar had mijnheer Lambert een uitleg voor: Mozes was de enige die oog in oog heeft gestaan met God, en om dat zichtbaar te maken, werd hij afgebeeld met twee stompjes op zijn hoofd.

Dijon had ik al vaker bezocht, maar dat kartuizerklooster van Champmol, dat bleef maar op mijn lijstje staan. Tot onlangs. Niet zonder moeite volgden wij Google Maps en Waze, tot op het parkeerterrein van het ziekenhuis langswaar je de beeldengroep kunt bezoeken. Ik gaf mijn zoon uitleg waarom Mozes hoortjes had – wat mijn vrouw de opmerking ontlokte dat ik toch altijd een soort leraar ben gebleven – en toen ik de uitleg van mijnheer Lambert gaf, begon ik die toch wat ongeloofwaardig te vinden. God zien en hoorns krijgen?

En wat blijkt nu? Ik haal er even de vertaalfout van de maand bij: Mozes had net een ontmoeting met God gehad, waarin Hij Zijn wetgeving had gepresenteerd. Mozes daalde de Sinaï af, met de stenen tabletten waarin de tien geboden gegraveerd waren in zijn handen en twee hoorns op zijn hoofd. Twee hoorns op zijn hoofd? Zo heeft het eeuwenlang in de volksvertaling van de bijbel gestaan. Maar: in het oorspronkelijke verhaal had Mozes niet twee hoorns op zijn hoofd, maar een glimmend en glanzend gezicht. Want wie met God had gesproken, begon te stralen. Maar door een fout in de vertaling van het Oude Testament verloor Mozes zijn glans en kreeg hij er een paar duivelse hoorns voor terug. De Hebreeuwse taal, waaruit het Oude Testament vertaald is, kent geen klinkers. Het woord ‘QRN’ werd door Griekse vertaler Aquila Ponticus opgevat als KARAN, wat hoorn betekent. Het moest echter KEREN zijn: straal. Hierdoor werd de zin ‘met stralen rond zijn hoofd’ vertaald als ‘met hoorns op zijn hoofd’. Toen Hiëronymus de tekst vervolgens van het Grieks naar Latijn wilde vertalen, merkte hij de fout niet op. De interpretatie werd zelfs versterkt doordat ‘gekroond’ en ‘gehoornd’ zich respectievelijk in ‘coronatus’ en ‘cornutus’ laten vertalen.

Meer info: Christiaan Janssens, De Mozesput

Eens: 18 juni 2024
Ergens: Champmol (Dijon)

De zee klotst voort

Mij hoor je niet mopperen over Facebook. Ik nam via dit zo vaak verguisde medium kennis van een gedicht van Henry Longfellow, die ik maar heel oppervlakkig ken.

Mijn vrouw heeft een oom – aangetrouwd, en helaas, al enige tijd zaliger – die in de eerste helft van de vorige eeuw afstudeerde als burgerlijk ingenieur en carrière maakte bij de toenmalige RTT. Merkwaardig genoeg hield hij erg veel van de Engelse romantic poets, en hij vertelde mij eens over The Song of Hiawatha van Henry Longfellow – een Amerikaan weliswaar, maar toch wis en zeker ook een romantic.

Het desbetreffend gedicht was The tide rises, the tide falls. Wat ik er mooi aan vind: het is kort, zeer begrijpelijk, met een duidelijke, wat eenvoudige metafoor, en ik leerde wat het Engelse woord is voor een wulp.

The tide rises, the tide falls,
The twilight darkens, the curlew calls;
Along the sea-sands damp and brown
The traveller hastens toward the town,
And the tide rises, the tide falls.

Darkness settles on roofs and walls,
But the sea, the sea in the darkness calls;
The little waves, with their soft, white hands,
Efface the footprints in the sands,
And the tide rises, the tide falls.

The morning breaks; the steeds in their stalls
Stamp and neigh, as the hostler calls;
The day returns, but nevermore
Returns the traveller to the shore,
And the tide rises, the tide falls.

Eens: 10 april 2024
Ergens: Wenduine

Wat blijft

Ik bezorgde een briefje aan de bibliotheek van Gent. Eerst dacht ik om de enveloppe aan te bieden door hem tussen mijn CD’s te stoppen die ik terugbracht, maar ik heb hem dan toch maar aan een heel vriendelijke baliemedewerkster afgegeven. ‘Voor u en voor iedereen in de bibliotheek,’ zei ik erbij, en ze leek zelfs blij verrast.

Maar eigenlijk mag iedereen dat briefje lezen. Vooruit dan maar!

Aan de directie en de medewerkers van de bibliotheek

Geachte heer, geachte mevrouw,

Ik wil u allen – directie en medewerkers van de bibliotheek – bedanken om jarenlang CD’s ter beschikking te stellen. Ik ga al meer dan 50 jaar naar ‘de bib’, en heb intussen honderden boeken en CD’s kunnen ontlenen. Die CD’s eerst voor 50 cent per stuk, daarna helemaal gratis. Ik maakte kennis met de klavierstukken van Bach en de Chants d’Auvergne van Canteloube, met Oscar Peterson en Eric Dolphy, met Jan Gabarek, met de volledige opnamen van Blood on the Tracks, en nog veel, veel meer.

Het is een schat die ze mij niet meer kunnen afnemen. Dus, daarvoor: dank u wel.

Ik las dat u grondig hebt nagedacht om de CD-collectie af te bouwen. Dat u de CD’s te koop hebt aangeboden. Dat er dan nog eens een deel als ‘afdankertje’ werd versnipperd voor een installatie op het laatste Lichtfestival. Dat laatste deed toch pijn.

Het doet me besluiten dat men grondig kan nadenken, en dan toch een verkeerde beslissing nemen. Ik merk dat de ruimte waar de CD’s stonden, nu jongeren zitten, turend naar het scherm van hun mobieltje. ‘Ik weet wel het is hun goeie recht, de nieuwe tijd, net wat u zegt, maar het maakt me wat melancholiek’ – tiens – zou Wim Sonnevelt nog beschikbaar zijn? O ja, Léo Ferré, die van het origineel (La Montagne), heb ook nog leren kennen via de bibliotheek.

Ik kijk het even na, want helaas, wat er overblijft aan CD’s, is wel ernstig geamputeerd. Er is geen overwogen selectie overgebleven; de collectie werd willekeurig geamputeerd. Maar ik zal blijven zoeken naar pareltjes die wachten om door mij ontdekt te worden. Voor alles verdwijnt, om plaats te maken voor… ja, voor wat eigenlijk?

Maar laat ik besluiten, ten derde male, met een dankuwel.

WG:
Mark De Mey

EENS: 28-2-2024
ERGENS: De Krook, Gent

PS: Ik kreeg een vriendelijk bericht terug met onder andere deze cijfers:

“Tot halfweg 23 werden gemiddeld 5.500 cd’s per maand uitgeleend, itt 12.000 per maand in 2018. In de hoogdagen van de muziekafdeling waren dat er zelfs méér dan 25.000 per maand. Op 5 jaar tijd is de vraag naar deze collectie met meer dan 50% gedaald en die daling houdt maand na maand aan.”

Baertsoen, peintre de Gand

Er zijn de haves, en dan heb je de have nots. Albert Baertsoen, de peintre de Gand behoorde tot de eerste groep, als telg van een vermogende industriële en liberale familie. Het onderscheid tussen haves en have nots werd me een halve eeuw geleden duidelijk gemaakt door mijn grootmoeder – in de fond een christelijke vrouw van het platteland, maar een gematigde socialiste geworden – die me antwoordde toen ik als jonge knaap de onschuldige vraag stelde waar de PVV – de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang – voor stond. ‘Jongen,’ zei ze, ‘dat is de partij voor de rijke mensen.’ Geen uitleg over vrijheid, individuele verantwoordelijkheid of burgermanifesten, dat waren dingen voor veel later, alleen het zeer basale onderscheid tussen zij die veel, en zij die weinig hebben. Het moge duidelijk zijn dat wij tot de groep behoorden die weinig hadden.
De laat-impressionistische schilder Albert Baertsoen had dus het geluk dat zijn wieg in het juiste huis stond, en dat kunnen we hem niet euvel duiden.

Op de valreep – enkele dagen voor de tentoonstelling de deuren sloot – ging ik kijken naar de overzichtstentoonstelling Albert Baertsoen (1866-1922), le peintre de Gand, in het Museum voor Schone Kunsten.

Mooi werk van een mij onbekende kunstenaar die toch tijdens zijn leven veel erkenning kreeg – zoals blijkt uit Le dégel à Gand (De dooi in Gent), dat in 1904 werd gekocht door het Musée du Luxembourg (nu Musée d’Orsay) in Parijs. Zeker voor Gentenaars was de tentoonstelling boeiend – altijd leuk om uit te vissen welk hoekje van Gent te zien was op de vele schilderijen van de stad.

Baertsoen kwam uit een rijke, industriële familie – bij oudere Gentenaars doet de naam Baertsoen-Buysse nog een belletje rinkelen. Aan de Chaussée de Termonde stond ooit een heel grote textielfabriek van huis- en ander linnen, die op haar hoogtepunt 2500 tewerk stelde; nu prijkt er op deze locatie al vele jaren het wat troosteloze Winkelcentrum Dampoort, maar ooit werd hier welvaart gecreëerd – in de eerste plaats door de liberale ondernemers Baerstoen en Buysse.

Albert Baertsoen maakte veel – vaak nogal sombere – stadsgezichten van Gent. De menselijke hand is altijd onmiskenbaar – huizen, kaden, dorpen, fabrieken, boten, maar mensen zie je amper op zijn schilderen. en als ze erop staan, zijn ze onherkenbaar, of op de rug geschilderd.

Le dégel à Gand (detail)

Baertsoen liet zich een woonboot bouwen, en daarmee voer hij de Schelde af, tot in Zeeland, waar zijn palet kleurrijker werd. Hij maakte mooie dorpsgezichten van Mariakerke en Nieuwpoort, waar je nog een kustlijn kunt zien zonder huizen of appartementsblokken. Maar een nostaligicus was Baertsoen niet – hij schilderde met verve fabrieken in het Luikse, met zwart-rokende schoorstenen, met op de voorgrond een besneeuwd landschap. Hij kwam tot slot toch uit een industriële familie.

Post scriptum:
Na het bezoek aan de tentoonstelling volgde een obligate sanitaire pauze, en na vertoefd te hebben in een oude, vertrouwde wereld, de wereld van schoonheid en kunst, was het goed te zien dat het museum mee is met zijn tijd. Dat wil zeggen: ze hebben genderneutrale toiletten – zo staan ze toch aangeduid. Vroeger had je links het damestoilet, en rechts het herentoilet, met enkele urinoirs. Aan de toiletten is niets veranderd – maar nu kunnen vrouwen ook terecht in de toiletten met urinoirs. En mannen zijn nu ook welkom in het vrouwentoilet. Goed, toch fijn dat vrouwen ook naar het mannentoilet kunnen als er links een lange rij staat aan te schuiven, en omgekeerd natuurlijk. Maar toch moest ik ineens denken aan een oud liedje van Herman Van Veen:

Adieu café

Ach zo’n café
Café met een lage zoldering
En geen wc voor dames apart
(…) Verboden door de wet
Met z’n rommelig buffet
Z’n pilsjes en z’n pret
En z’n scheve biljart

Want zie, de nieuwe wet is
Dat zo’n café niet net is
De zoldering te laag is
Het licht er veel te vaag is
En dat er alle vrouwen
Hun plas op moeten houden
Omdat er geen wc is
Die veilig en privé is
En mensen ook al biggelt
Er een traan over Carmiggelt
De wet heeft rechtgedaan
Dus die cafeetjes gaan eraan.

EENS: 25 november 2022
ERGENS: Museum voor Schone Kunsten, Gent

Meer info over de werken van Baertsoen

Wanderlust

Wandelen, ik weet niet of het aan mij ligt, maar het Engelse ‘to wander’ of het Duitse ‘Wanderlust’ geven het simpele stappen toch wat meer diepgang – wie wandelt stapt wat voor zijn plezier, terwijl Wanderlust een vonkje meegeeft van de verwondering of verrukking die om elke hoek op het pad kan loeren.

Heel lang geleden werd er amper gewandeld, men stapte doelbewust, van a naar b. De tijd verdrijven was een luxe die de jagers of vechters zich niet konden veroorloven, al neem ik aan dat Hannibal wel eens met verbazing zal gekeken hebben naar de woeste bergtoppen van de Pyreneeën en de Alpen toen hij ten strijde trok tegen de Romeinen.

‘Walking, ideally, is a state in which the mind, the body, and the world are aligned, as though they were three characters finally in conversation together, three notes suddenly making a chord.’

Dat schrijft Rebecca Solnit in Wanderlust: A History of Walking (2001), maar ik vermoed dat men pas vanaf Thoreau of Jane Austen’s Elizabeth Bennett tijd had voor dat soort gedachten.
Herman Melville natuurlijk ook. Die ging wandelen in de buurt van Stockbridge, Massachusetts, met zijn vriend Hawthorne. In de contouren van een berg meende hij een walvis te zien. De romantiek was begonnen, en wandelen, erop uit trekken was een middel om één te worden met de natuur, die een nieuw soort van schoonheidsideaal werd.

Een tijd geleden ging ik bij dagenraad op stap in Monument Mountain in Great Barrington, Massachusetts, niet ver vanwaar Melville zijn trektocht maakte. We logeerden toen in het Briarcliff Motel, en aangezien ik altijd als eerste uit de veren was, zou ik vóór het ontbijt eens een nabijgelegen heuvel verkennen, het pad naar Devil’s Pulpit volgend. Ineens hoorde ik een stem – mijn zoon, die de reden was van deze trip naar deze streek van Boston en Harvard, was ook wakker, en samen gingen wij de berg op.

Laatst zag ik, toen ik Umberto Eco’s De geschiedenis van de schoonheid doorbladerde, nog eens het bekend schilderij van Castor Friedrich dat die romantische verbondenheid tussen het individu en de natuur zo goed verbeeldt. Ik kende dit schilderij wel, maar ineens zag ik de gelijkenis met de foto hierboven, van mijn zoon. Samen stonden we – niet eens zo hoog – boven de nevelen die de vallei van de Housatonic river bedekten als een zacht donsdeken. Het was een magisch moment. De woorden van feministe (of mannenhaatster volgens schrijver Christophe Vekeman) Solnit zijn mij te hoog gegrepen, maar ik kon alleen maar verrukt zijn van dit moment met mijn zoon, bij de opkomende zon boven de wolken die als een zee onder ons lagen. Caspar Friedrich moet hetzelfde gezien hebben.

Caspar Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer (1818) – Wikimedia Commons

EENS: 16 juli 2018
ERGENS: Monument Mountain, Great Barrington, Massachusetts.
Foto’s: Galaxy S8.

© Alle rechten voorbehouden.

De Toverberg, stap voor stap

Het is zo ver.

Op 22 januari 1981 kocht ik De Toverberg van Thomas Mann. Het was de tijd dat ik mijn naam nog in mijn boeken schreef, en er ook de aankoopdatum bij noteerde. Ik denk dat dat in Marnix Boekhandel was, op de Ajuinlei. Ik had over het boek gelezen in de cursus van Alex Bolckmans, Inleiding tot de voornaamste moderne literaturen. Eén van de grootste romanciers der 20ste eeuw, zo noemt Bolckmans Mann, iemand die de grenzen van het neorealisme overschrijdt. Der Zauberberg is een ontwikkelingsroman met een humanistische boodschap. Was het dat dat mij dit boek deed kopen? Of was het omdat ik het zo een fraai boek vond, perfect van formaat, ondanks de 972 bladzijden? Het was de vierde druk van De Arbeiderspers van 1980, met de vertaling van Pé Hawinkels. (Over de – vaak bejubelde, maar ook bekritiseerde – vertaling schreef Thomas Heij een lezenwaardig stuk.)

Niet snel na de aanvang van de lectuur heb ik het boek opzij gelegd. Enkele jaren later ben ik er weer aan begonnen, maar toen strandde ik halfweg het vijfde hoofdstuk, net voor ‘Mijn God, ik zie het’. Pagina 264, er zit nog een velletje papier op de plaats waar ik het dikke boek voor lange tijd dichtklapte. Ik herinner mij – vaag – dat er nogal wat gefilosofeerd wordt over het begrip tijd, bijvoorbeeld dat tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn, denk maar aan de wijzer van een klok. Als alles stil staat – dus niet alleen het horloge – valt ook de tijd stil, is er zelfs geen tijd meer.

Helaas, het boek belandde weer in de boekenkast, waar de rug van het boek intussen zodanig verschoot, dat het nu zelfs een andere kleur lijkt.

Maar kijk, ruim veertig jaar nadat ik het boek kocht, nam ik het weer ter hand, en ik was meteen ingenomen door de beginregel van de introductie die Mann aan zijn boek gaf. ‘Nu gaan wij het verhaal vertellen van Hans Castorp – niet omdat hij het is (de lezer zal hem namelijk leren kennen als een eenvoudig, doch innemend jongmens), maar omdat het verhaal ons in hoge mate vertellenswaard voorkomt (waarbij ten gunste van Hans Castorp dient aangetekend dat het zijn verhaal is, en dat niet iedereen elk verhaal meemaakt).’

(In het origineel staat er: ‘Die Geschichte Hans Castorps, die wir erzählen wollen (…)’, waaruit je merkt dat de vertaling van Pé Hawinkels – ooit tekstschrijver van Herman Brood – inderdaad wel vrij te noemen is.)

Dat de verteller de toehoorder of lezer aanspreekt, bevalt me; ik herinner mij dat Goethe zijn Wahlverwandtschaften ook zo begint: ‘Eduard – zo noemen wij een rijke baron in de kracht van zijn leven – Eduard had in zijn boomkwekerij het mooiste uur van een aprilmiddag doorgebracht met het enten van pas verworven enttakken op jonge stammen.’

Maar terug naar Mann en De Toverberg. Je weet gewoon vanaf de eerste zin dat Hans Castorp langer dan drie weken in het sanatorium in Davos zal blijven, en dat zijn verblijf zijn leven zal veranderen. Gelukkig is er een goede verteller die je bij de hand neemt.

En kijk, intussen is het zo ver. Ik ben voorbij pagina 264 geraakt, en ik stoom verder door, als een oude locomotief.  Een ‘schwer keuchende Lokomotive’, schrijft Mann ergens, wat bij Hawinkels een ‘door rokershoest geplaagde locomotief’ wordt. Het bekende citaat – ooit geparafraseerd door professor Schrickx (die volgens Siegfried Bracke twee wereldtalen tegelijk spreekt: Engels en Antwerps) tijdens en één van zijn uitweidingen is ‘het lachen is de zonnestraal van de ziel’. Schrickx vond een spontane lach die opstijgt in een conversatie tussen studenten als een waarachtig moment, of iets van dien aard, wel, dat citaat ben ik nog niet tegengekomen. En zo wordt deze uitgestelde lectuur ook voor mij een reis door de tijd, mijn tijd.

Eens: 6 oktober 2021
Ergens: Thuis

Post scriptum: Ik lees nu elke avond in De Toverberg, voor het slapengaan. Gisteren kwam pagina 281 voorbij. Hans Castorp moet een röntgenfoto laten maken, en is compleet van de kaart omdat mevrouw Chaucat was binnengekomen in de wachtzaal.

‘Maar waar ruikt het hier toch naar?’

‘Zuurstof,’ zei de kamerheer. ‘Wat u in de lucht bespeurd, dat is oxygenium. Atmosferisch produkt van het kameronweer, als u begrijpt wat ik bedoel…”

Inderdaad – een licht-progressieve spelling bij Pé Hawinkels, en een dt-fout.