Vlaamsekaai

‘The past is a foreign country; they do things differently there.’ Dit citaat uit The Go-Between van Leslie Poles (L.P.) Heartley werd vriendelijk onder mijn aandacht gebracht door columnist Rik Van Cauwelaert, die het gebruikte om de hedendaagse politieke mores te duiden.

Ik moest eraan denken toen ik, voorovergebogen over mijn stuur, tegen de wind, de dag na storm Ciara, even stopte om de Vlaamsekaai te fotograferen. De Vlaamsekaai heet zo omdat er nog heel wat huizen staan in die mooie Vlaamse eclectische neo-renaissancestijl, opgetrokken in een tijdperk toen men nog heimwee had naar dat vreemde land, het mooie verleden van Vlaanderen die scone. Een groot deel van die Vlaamsekaai moest in de jaren 70 en 80 wijken voor de moderne tijd, de tijd van Amelincks en andere bouwpromotoren. In één van deze bouwdozen heeft mijn tandarts zijn praktijk. Eigenlijk is de Vlaamse Kaai gewoon een stuk van de stadsring, de R40. Kijk goed, rechts ervan ligt de lage-emissiezone, waaruit mijn oude diesel verbannen is; links ervan mag alles (voorlopig) nog.

In het verleden deden ze dingen anders. Ik heb heimwee naar de tijd dat men heimwee had naar de schoonheid uit het verleden, en dat wat men toen deed in het heden, afgemeten werd aan wat onze voorouders presteerden.

EENS: 11 februari 2020, 7.27 uur
ERGENS: Vlaamse Kaai, Gent

Ezelsoren

Boeken zijn me niet heilig, maar ik behandel ze toch met zorg. Hoeken van de bladen omvouwen om te tonen waar ik ben met mijn lectuur, doe ik nooit. Ook niet met boeken uit de bibliotheek. Zulk een ezelsoor is een permanent teken, en als ik een boek lees uit de bibliotheek, wil ik niet geconfronteerd worden met vorige lezers. En dan denk ik: wie doet zoiets? Doen ze dat ook met hun eigen boeken?

Het boek in kwestie is Judas, van Amos Oz. Een fascinerende ideeënroman die zich afspeelt in het Israël kort na de oprichting van de Joodse staat, en waar de littekens van de onafhankelijkheidsoorlog nog herinneren aan de recente, bloedige geschiedenis. Het is ook een boek over verraad, op verschillende niveaus, en over de (fictieve) verrader Sjealtiël Abarbanel, een politieke tegenstander van David Ban Goerion, iemand die niet geloofde in een Joodse (of andere) natiestaat, en die ijverde voor het vreedzaam samenleven van Joden en Arabieren in het Beloofde Land. En natuurlijk over de aartsverrader Judas Iskariot, de rijkste onder de discipelen van Jezus, die in de ogen van het hoofdpersonage (die een scriptie schrijft – of probeert te schrijven – over Judas). In deze scriptie, over de visie van de Joden op Jezus, staat Judas centraal, de leerling die Jezus het meest liefhand, en de enige die inzag dat Jezus de zoon was van God, en die daarvan Jezus misschien heeft kunnen overtuigen, en die dus wou dat Jezus aan het kruis werd genageld, om dan van het kruis af te komen en te verrijzen uit de dood.

Het boek Judas is ook een bildungsroman, met het hoofdpersonage Sjmoeël met een ‘holenmensbaard’ die desondanks een verlegen jongetje blijft, en die hopeloos verliefd wordt op een oudere vrouw, de dochter van Abarbanel, wier man Micha gruwelijk door Arabieren werd vermoord tijdens een militaire missie in 1948.

Toen mijn vader eens een oude jeugdvriend had geholpen, en nadien door hem werd verraden, had hij eens een gesprek met de vrouw van die jeugdvriend. “Mijn man is een heilige,” zo zei die vrouw. En mijn vader antwoordde: “Dan was het toch de heilige Judas.”

Maar aan de vele ideeën die in het boek opduiken, kleeft ook een leukere anekdote. Begin jaren 80 gingen wij eens skiën in het Oostenrijkse Malnitz, in de Kerstvakantie. We maakten er kennis met een wat ongewoon koppel: een jonge Vlaamse lerares en haar Joodse vriend; hun namen ben ik vergeten. Op Kerstavond zouden we met ons vieren naar de middernachtmis gaan. Het viel me op dat het bevriend koppel wat achterbleef, en de Joodse vriend begon steeds trager te stappen, tot hij ineens verdwenen was. Hij had zich bedacht. Hij kon, als Jood, zo denk ik, niet naar de middernachtmis gaan, een hoogfeest van de Christenen, die dan de geboorte vieren van de zoon van hun God, waaruit een religie zou ontstaan die de Joden zoveel leed heeft gebracht.

Rizoom

Aan mij zal er geen groot culinair recensent verloren zijn gegaan. Ik heb een collega (vandaag is hij trouwens jarig – gefeliciteerd P.!) die regelmatig op restaurant gaat, en ons steeds deed mee watertanden. Ikzelf vind de woorden niet om een gerecht deftig te omschrijven. Dus begin ik er niet aan. Maar voor een kleine ontdekking deze week doe ik graag een poging daartoe. Vooral omdat we kennis maakten met enthousiaste jonge mensen die het aandurven om te ondernemen.

Na het lezen van een stukje in Sabato, trokken we naar een restaurant niet ver van de Gentse stadsgevangenis. Toen we er voorbij kwamen (de gevangenis), was het net bezoekuur. Onze auto mag de stad niet meer in, dus parkeerden we een eind weg, met het voordeel dat je een goede wandeling vóór en na de maaltijd maakt.

Het eten was lekker, origineel, fris, en redelijk geprijsd. Het begon een beetje problematisch: aardpeer gegaard op houtskool, met een lekkere crème erbovenop, maar de zwartgeblakerde onderkant was ons ding niet. Daarna kwam één (1) sublieme oester, met een (ijskoude) granité van raap en mierikswortel. Dan iets wat ik verstond als kuton. Aangezien Rizoom wat Japanse dingen serveert, moest dat wel oosters zijn, en ik vroeg wat kuton was. Er werd mij heel beleefd uitgelegd dat het koetong was, de tong van een rund, dus. Enfin, niet zomaar koetong met champignons en madeirasaus, maar een emulsie van koetong, scheermes en rode biet. Het hoofdgerecht was een bavetje (bavette, van de flank van het rund), perfect gegaard of geroosterd, en ik lees dat er enoki en saké aan te pas kwam, alsook een lekkere hartige pannenkoek met pijpuitjes (om stukken af te breken) en palmkool gegaard op de barbecue. Pas toen we aan het toetje toe waren, dacht ik eraan om een foto te maken: een crumble van brownie met iets waar karnemelk, bergamot en noten aan te pas kwamen. Lekker fris zoetzuur.

Je merkt het, ik zal nooit Bruno Vanspauwen of Jan Scheidtweiler opvolgen, maar als iets lekker was, dan zeg ik het ook. Er is nog wat werk aan de inrichting bij Rizoom, er zijn werken gepland, we kijken uit naar een goede koffiemachine, maar verder: een aanrader, ginder in de Nieuwe Wandeling.

EENS: 22 januari 2020
ERGENS: Restaurant Rizoom, Nieuwe Wandeling, Gent

Three score and ten

Gent, Graslei, 31 december 2019, 22:20 uur.

Het gebeurt – en dat overkwam me vroeger nooit – dat ik wel eens nadenk aan de eindigheid van mijn aardse bestaan. Het moet te maken hebben met het zestig-gevoel, denk ik, three score, en iedereen weet wat er dan komt, three score and then, amen, dan vliegen we weg.

Score betekent twintig, en wie kan rekenen, komt dan uit op zeventig. Het getal komt voor in Psalm 90:

The days of our years are threescore years and ten;
and if by reason of strength they be fourscore years,
yet is their strength labor and sorrow;
for it is soon cut off, and we fly away.

Ook Shakespeare beschreef die 3×20+10 als een héél lange tijd. In de spookachtige nacht van de moord op King Duncan beschrijft een oude man deze ‘sore night’. Hij heeft in zijn lange leven al veel meegemaakt, maar dat alles verzinkt in het niets bij deze dag die zo zwart is als de nacht.

Threescore and ten I can remember well:
Within the volume of which time I have seen
Hours dreadful and things strange; but this sore night
Hath trifled former knowings.

(Macbeth Act 2 Scene 4)

Maar goed, het is bij mij nog gewoon zestig, nog geen zeventig; alles op zijn tijd. Ik dacht aan de eindigheid, en de vergetelheid, toen ik mijn foto’s van het afgelopen jaar digitaal archiveerde. De geniale Vivian Maier, the nanny photographer, nam heel haar leven foto’s (meer dan 150.000, zo schijnt het) en verschillende dozen vol filmrolletjes werden na haar dood geveild. Ik ben natuurlijk geen Vivian Maier, maar van mij zal men enkel nog wat ontwikkelde negatieven vinden van de jaren 80 en 90. Nadien is mijn foto-nalatenschap verspreid over enkele harde schijven, en de kans is groot dat niemand ze ooit vindt. (Tip: Seagate Back Up Plus Drive.) Hopelijk vindt men dan toch nog, als ik allang weggevlogen ben, de weg terug naar deze fotoblog!

Hierboven mijn laatste foto van 2019, op weg naar het wat rommelige vuurwerk in mijn stad. De foto toont Gent zoals ik het mij herinner uit mijn tienerjaren: een wat ingedommelde provinciestad. Kort daarna zou ik een nieuwjaarswens krijgen van de weduwe van een recent overleden collega, met daarin een vergelijkbare foto van de Graslei, ongeveer genomen vanuit hetzelfde standpunt. Het was één van de laatste foto’s van deze betreurde vriend.

Eens: Oudejaarsavond 2019, 22:20 uur.
Ergens: Graslei, Gent

Zanglijster

Er was een luide, doffe knal tegen het raam, en ik zag een vogel wegvliegen. Oef, dacht ik, die vloog tegen het raam, maar overleefde het. Toen ik ging kijken, zag ik echter een slachtoffer op de grond liggen. Ze moeten met twee geweest zijn, misschien zat de ene vogel de andere achterna. Wat me opviel, was een plasje bloed. Karmijnrood.

Het was een zanglijster, wist mijn vrouw me te vertellen. Gemiddeld worden ze vijf jaar.

EENS: 26 december 2019, 9:40 uur
ERGENS: Thuis

Petrus

Arthur, Noah en Adam. Dat zijn momenteel de meest voorkomende voornamen. Vijfentwintig jaar geleden stond Thomas bovenaan het lijstje, maar na enig aarzelen en zelfs te elfder ure hebben we onze zoon niet Thomas, maar Jan genoemd. Het is een wat onhebbelijke karaktertrek van mij: een zekere argwaan tegen alles wat populair is. Maar toch: ook Thomas is een mooie naam. Hij verwijst naar hij die gelooft zonder te zien, maar dat strookt dan weer niet met mijn overtuiging. Dus Thomas werd zijn tweede voornaam. En de derde, dat werd Petrus.

Ik hou van voornamen die generaties lang meegaan, schreef Benno Barnard in zijn Dagboek van een Landjonker. Petrus moet honderd jaar geleden de meest voorkomende voornaam geweest zijn, als ik kijk naar de naamplaatjes van de oud-strijders, hier op het kerkhof. Een jaar of veertig hebben hun graven standgehouden, maar dit jaar moesten ze plaats maken, want ‘Het sceen teen moeste ghestorven sijn’. Als ik even een regel uit het Egidiuslied vrij mag vertalen: er wordt nu eenmaal gestorven. Het kerkhof heeft ruimte nodig, dus werden de graven geruimd, en wat er overbleef van de oud-strijders verdween in een put waar een monument op kwam. Met naambordjes. Naar goede Vlaamse gewoonte eerst de achternaam, dan de voornaam.

De laatste in het rijtje is mijn grootvader. Twintig jaar toen de oorlog uitbrak, en al snel gepromoveerd tot vuurkruiser.

Primeur of niet?

Elk jaar komt het terug, met een zekerheid zoals na elke winter wel de lente komt: de wijnaanbiedingen ‘in primeur’. Je bestelt, en betaalt wijnen op het moment dat ze nog niet gebotteld zijn. Loont dat (nog) de moeite?

Grande année, petit château

Ik neem even de proef op de som, met een ‘petit château’ in Haut-Médoc dat mij na aan het hart ligt. In de gouden wonderjaren 1985, 1986, 1988, 1989 en 1990 ging ik voor het eerst op ontdekkingsreis in de bordeauxwijn, met een vriend die kind aan huis was bij een wijnhandelaar met twee perelaars tegen zijn voorgevel. Zelfs topwijnen waren toen spotgoedkoop, ik waagde mij zelfs eens aan een kistje Léoville Barton van 1983. Toen leek 800 Belgische franken een stuk meer dan 20 euro nu…

Château Lanessan, in de Haut-Médoc, is een goede plaats om te starten. Als je een luchtfoto bekijkt van de Haut-Médoc, zie je dat de rivier (de Gironde) al een stukje verderaf ligt, en dat wijnbouw en bossen elkaar afwisselen. Er zit meer vocht in de bodem, en minder van de klassieke graves (kiezel), het alluviale gesteente dat de waterlopen hebben meegebracht en dat de bordeuxwijnen (toch zeker die van de linkeroever) zo typeert.

Hoe dichter bij de Gironde, hoe beter (in principe) de afwatering, en hoe dieper de wijnstokken moeten zoeken naar water. In dit climat doet de cabernet het beter dan de merlot, die zich meer in zijn sas voelt in de kleihoudende gronden van de Haut-Médoc en de (Bas-)Médoc (en op de rechteroever van Saint-Emilion en Pomerol).

De variatie in bodem is groter in Haut-Médoc. Château Lanessan ligt in het noorden van de appélation, vlakbij de grens met Saint-Julien, dicht bij Gruaud-Larose en Beychevelle.

2015 en 2016 zijn excellente jaargangen in Bordeaux, en voor Lanessan betekent dat wijnen met een prachtige balans en een grote finesse. Geen grote kracht, geen dieprode wijnen, geen fruitbommen en houtsoepjes, en zeker geen overdreven extractie of alcoholgehalte. Recent ontkurkte ik nog eens de 2015. In primeur betaalde ik 12,5 euro. Deze wijn had alles wat je van een heel goede Saint-Julien kan verwachten, maar voor de prijs van een Haut-Médoc. Jancis Robinson, Master of Wine en de beste wijnschrijver ter wereld, was enthousiast en gaf Lanessan 16.5 op twintig. Met scores moet je altijd oppassen, maar op Robinson (die ook de beste pen heeft, in tegenstelling tot Robert Parker, die de wijnen heel saai beschrijft) vertrouw ik volkomen. Terecht, zoals bleek toen ik de wijn zelf proefde. Maar loonde het nu de moeite om de wijn in primeur te kopen?

Ik kocht de wijn bij Colruyt (Klassewijnen) in 2016. In de wijncatalogus van 2018 kostte deze Lanessan 14.5 euro. Dan kun je zeggen: deze wijn in primeur kopen, geeft me een voordeel van 13,5 procent. In tijden van lage intrest is dat toch dat, en bovendien ben je niet zeker of alle primeurwijnen uiteindelijk ook in de catalogus terecht komen, dus hebben is hebben. Maar anderzijds heeft Colruyt ook de goede gewoonte om telkens als er een catalogus uitkomt, de klant tien procent korting te geven. Of je deze wijn al dan niet in primeur hebt gekocht, je kunt ook nog altijd een kistje kopen of bijkopen!

Château Lanessan is dus een goede koop, zowel in primeur als wanneer je hem kunt kopen met een mooie korting. Maar het blijft een beetje uitkijken – in primeur koop je op reputatie, of afgaand op commentaren van de vakpers. Maar de proef op de som blijft nog altijd… zelf proeven!

(Wie in Bordeaux in primeur wil kopen, kan hier ratings vinden. Opletten met 2017, waarvan het primeurseizoen net is afgetrapt; dit in een onevenwichtig millésime.)

Middenin de vlakte van juli

Deze lenige liefde van Rodin stelt eigenlijk een gevallen engel voor: L’Ange déchu, Palais des Beaux-Arts van Rijsel.

Deze week zag ik iemand die ik een jaar geleden voor het eerst ontmoette. Nu herinnerde deze vriendelijke man zich dat ik wel sportief was … fietsen? Nou, nee, veeleer wat lopen, maar dat was nu alweer een week of twee geleden, dus dacht ik: ik moet weer wat meer bewegen. Als ik hem volgend jaar weer ontmoet, kan ik hem bevestigen dat ik wat aan sport doe. Dus hup. Mijn eerste pauze is doorgaans de plaatselijke bibliotheek, waar ik mijn stramme gewrichten wat respijt geef, en dan stop ik even bij dit gedicht:

Middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je.
Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik,
zei ik, en waar leerde je de kunst
om niet lang te duren? Ook hier, zei je.

Je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
En daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
Een oortje, waarin ik het lange woord
‘lieveling’ uitgoot, zonder morsen

Het gedicht blijft mooi, het wordt zelfs altijd wat mooier naarmate ik wat minder lenig word. Herman De Coninck schreef het in 1969, toen ik als tienjarige knaap bij meester Debeuf in de klas zat. Alle meesters waren toen mannen. Enkele jaren later, in het middelbaar, zou de komst van de eerste vrouwelijke leerkracht nog heel wat opzien baren. Het kan verkeren, zo leert de krant mij vanmorgen: ‘Vorig jaar waren in het basisonderwijs 63.551 vrouwen aan de slag, tegenover 8.943 mannen. In het secundair onderwijs was de verhouding 49.440 vrouwen tegenover 27.291 mannen.’ (De Standaard)

Maar goed, de lenige liefde dus. De eerste bundel van De Coninck, in een poëtische taal die mij geen schrik aanjaagt.

Het had hard gewaaid, die tiende maart 2019 in Rijsel, en een museum biedt altijd een veilig onderkomen. Het Palais de Beaux-Arts is eigenlijk een heel mooi, wat ouderwets ingericht museum, met enkele echte parels – een paar Goya’s, bijvoorbeeld, maar ook een mysterieus beeldhouwwerk van een pater (of de heilige Antonius) die aan drie wellustige verleidingen moet weerstaan. Kunstenaar mij niet bekend.

Een aalmoes

Een kort verhaal, want tijd is een kostbaar goed, en ik heb ook niet zoveel te vertellen.

Laatst was ik in de Gentse bibliotheek, De Krook. Ik ging naar een lezing, maar ik had me een week vergist. En dan bedacht ik dat ik maar eens Toergenjev moest lezen, dus haalde ik er Vaders en zonen.

Toen ik aan de bib kwam, had ik hem zien zitten, een bedelaar op de voetgangersbrug tussen het Woodrow Wilsonplein (beter bekend als ’t Zuid) en De Krook. Terwijl ik tussen de rekken boeken liep, tussen ‘Romans’ en ‘Informatica’, dacht ik aan die bedelaar. Het was een nieuwkomer – gewoonlijk zit er iemand die mij meer een professionele bedelaar leek, maar die man was anders. Hij zag er eigenlijk zeer netjes uit, met een ringbaardje. Het was koud en hoewel het niet regende, was het vochtig en guur, en ik denk dat zeker dan niemand voor zijn plezier voor een bakje zit te zitten, met daarnaast een tekst ‘Dakloos’.

Zou ik hem een aalmoes geven? Was hij het slachtoffer van de harde, neoliberale samenleving, iemand die tussen de mazen van het sociale vangnet was gevallen? Iemand die getroffen was door brute pech? Of was het een klaploper, iemand die zelf schuld had aan zijn bedelaarsbestaan, want is niet iedereen verantwoordelijk voor zijn eigen lot, zoals sommigen denken? En ook: met een aalmoes help je even één bedelaar, maar misschien houd je het probleem wel mee in stand?

Toen ik wegreed, met de fiets, had ik beslist: ik geef hem wat ik in mijn jaszak vind, een stuk van twee euro. En ik zou hem aanspreken met ‘goedemiddag’. Misschien zou hij me dan vragen waarom ik hem aansprak, en ik zou dan zeggen: “Omdat ik u gezien heb.” Want is dat niet het ergste voor een bedelaar, dat iedereen hem voorbijloopt, door hem heenkijkt? Zodat de passanten niet geplaagd zouden worden door de vragen die ik mij nu stelde? Of is het anders – zou de bedelaar zich niet schamen, en heeft hij dan liever dat men hem niet aankijkt?

Ik gooide het muntstuk in zijn lege bakje. Even was ik bang dat het eruit zou stuiteren, en de Ketelvest (of is het de Reep?) inrollen, maar ik denk te veel, denk ik.

De man zei: “Dank u”, op een manier die bij zijn verschijning paste: waardig en netjes. Ik had in mijn hoofd een zeer aangenaam gesprek gehad met een bedelaar.

EENS: 22 november 2019
ERGENS: Gent, De krook

Camera: Samsung Galaxy 8

Si le coeur vous en dit

Vandaag, allerheiligen, morgen, allerzielen. Eertijds werden de graven opgepoetst, tot ook de poetsers oud werden, en heen gingen. Waar er nog een graf is, zetten jongeren de traditie verder, maar zonder graf, of zelfs zonder een nis, wordt dat alleen een abstracte oefening. Laten we dan maar even denken aan hen die we toch al in ons hart dragen, met de regels van Lamartine – C’est l’ombre pâle d’un père / qui mourut en nous nommant / c’est une soeur, c’est un frère / qui nous devance un moment / tous ceux enfin dont la vie / un jour ou l’autre ravie, / enporte une part de nous / murmurent sous la pierre / vous qui voyez la lumière / de nous vous souvenez vous?

In zijn Penséés des Morts getuigt Alphone de Lamartine nog van het christelijke geloof in zaken van leven en dood: de overledene moet nog gewogen worden vooraleer hij het eeuwig leven krijgt: Mets ton poids dans la balance, / Si tu pèses le néant ! / Triomphe, à vertu suprême ! / En te contemplant toi-même, / Triomphe en nous pardonnant !

Maar laat mij, als ik vandaag zoals op de andere dagen, mijn doden herdenk, een ander deuntje fluiten, één dat zeker mijn vader liever had gehoord:

Mais voila le soleil, le soleil qui leur dit
Prenez, prenez la peine de vous asseoir
Prenez un verre de bière, si le coeur vous en dit
Prenez si ça vous plait, l ‘autocar pour Paris
Il partira ce soir, vous verrez du pays

Mais ne prenez pas le deuil, c ‘est moi qui vous le dit
Ca noircit le blanc de l ‘oeil, et puis ça enlaidit
Les histoires de cercueils, c ‘est triste et pas joli
Reprenez vos couleurs, les couleurs de la vie

Jacques Prévert, A l ‘enterrement d ‘une feuille morte (Paroles, 1946)

Een mooi bos zoals het Zoniënwoud, donker en wat somber door de hoge beuken met hun dicht bladerdak, is een ideale plaats om te genieten van een zeldzaam straaltje zonneschijn. Het is hier, in Groenendaal, waar de middeleeuwse mysticus Jan van Ruusbroec, op zoek ging naar zijn persoonlijke God, ver weg van “de menigte van mensen”. Het kan ook zijn dat Ruusbroec zich zou hebben gestoord aan de manier waarop in Sinte-Goedele de officies werden gezongen en vooral aan het vals zingen van ene Godfried Kerreken. Zijn groeiende onvrede met de levenswijze van de geestelijkheid in zijn tijd is waarschijnlijker (“want sie sijn als ene confusie en een lachter in de werelt … also stinct nu die locht van den sonden ende van der quaden famen der onreinre priestere die nu sijn“).

Maeterlinck, die Ruusbroeks Die gheestelike bruloch vertaalde in het Frans, had wat gemengde gevoelens over de mysticus Ruusbroec: “Hij paart de onwetendheid van een kind aan de wetenschap van iemand die uit de dood is teruggekeerd. Overal vertoont zich een monsterachtige wanverhouding tussen wetenschap en onwetendheid, tussen kracht en begeerte. Velen zullen dan ook in zijn boek niet veel meer zien dan het werk van een visionaire monnik, van een sombere kluizenaar, een heremiet, dronken van vasten en van koorts verteerd. En toch — deze arme, eenzame monnik, die geen Grieks en misschien geen Latijn kende, vangt te midden van het duistere Zoniënwoud, in zijn onwetende, eenvoudige ziel de verblindende weerschijn van de hoogste en geheimzinnige bergtoppen van het menselijk weten op. Onbewust kent hij het platonisme van Griekenland, het soefisme van Perzië, het brahmanisme van Indië en het boeddhisme van Tibet, en zijn wonderlijke onwetendheid vindt de wijsheid van begraven eeuwen terug en voorziet de wetenschap van eeuwen die nog niet geboren zijn.” (Wikipedia)

Ik denk dat Jan van Ruusbroec niet veel zou moeten weten van Jacques Prévert.

EENS: woensdag 30 oktober 2019
ERGENS: Het Zoniënwoud in Groenendaal
Camera: Lumix LX 100 F 1.7, 1/200s, 800 ISO, 10.9 mm (x crop factor 2)

Hat tip Alphonse de Lamartine (1790 – 1869): Sylvain Ephimenco (Trouw)

© Alle rechten voorbehouden.