Zie me hier eens zitten, zo zie ik deze man denken. Hij stut het voetstuk van een nis, die een beeld had moeten huisvesten maar nu nog altijd vacant is. ‘Het geld was op,’ denkt hij ongetwijfeld. De Lakenhalle werd aan het Gentse belfort gebouwd tegen het einde van de vijftiende eeuw, maar deze cul-de-lampe of kraagsteen kan niet zo oud zijn. Daarvoor ziet deze figuur – iemand met een papierrol – er te weinig verweerd uit. Wellicht een creatuur uit de tijd van de grote restauratie denk ik, eind 19de eeuw. Hij kijkt met verbazing naar het gewoel onder hem, weg van de kathedraal, richting Korenmarkt en Veldstraat, het commerciële hart van de stad. Hij zag de straten vollopen met auto’s, die het Sint-Baafsplein gebruikten als parkeerplaats, en zag de auto dan weer de stad verlaten. Hij zag twee wereldoorlogen voorbijkomen, en laatst nog een recente revolutie, die Gent uitriep tot een vrijstaat van licht en liefde. ‘We hebben de pastoors door de voordeur weggejaagd, en nu komen zo door de achterdeur weer binnen.’ Dàt zie ik hem denken.
Het was de Witte Donderdag van het Jaar des Heren 2022. Ik zoek enkele fotolocaties in Gent, de zon schijnt. Onder de Albertina Sisulubrug vind ik wat ik zoek, en ook wat verder, onder de brug van de Lammerstraat, waar je in het water van… ja, van wat eigenlijk, een stukje water tussen Leie en en Schelde, het bewegende silhouet van de Sint-Pietersabdij herkent.
Een jonge vrouw komt me vragen hoe laat het is, en dat vind ik een vreemde vraag, een die je niet vaak meer hoort. Wie heeft er nu geen mobiele telefoon op zak? En waarom vraag je hoe laat het is, als er aan de overkant van de straat een apotheek ligt, met een groen neonkruis dat flikkert en de tijd aangeeft. Zoals kerktorens het zielenleven combineerden met het praktische, zoals de tijd van de dag. Steeds als je wil weten hoe laat het is, denk je aan God. Als het angelus luidt, doe je je pet af en bid je.
Ik haal mijn telefoon boven, en zeg, naar waarheid, dat het kwart over negen is, waarop de vrouw me bedankt, en dan ook de aap uit de mouw komt. Ze zegt me dat ze een Christen is, en ze vraagt me of Jezus ook al in mijn leven is gekomen, want dat is toch iets wat haar bijzonder gelukkig maakt, de merk- en voelbare aanwezigheid van God, nu, maar ook voor het leven na de dood. Ik laat haar rustig uitspreken, en vertel dan dat ik haar overtuiging respecteer, maar dat die van mij toch wat afwijkt. Hemel en hel bestaan wel degelijk, zeg ik, maar ze bestaan beide op aarde, en het is onze verantwoordelijkheid om hier een hemel te maken, en dat dat kan zonder God. Ja, dan heeft ze het over vrije keuze, en nog één en ander, en ze besluit dat ze vandaag aan haar God zal vragen of hij zich ook aan mij zou openbaren, zoals hij dat bij haar heeft gedaan.
Ik vind het wel een fijne gedachte – iemand die mij gedenkt in haar gebeden, en dat terwijl ik nog leef.
Eens: Donderdag 14 april 2022 Ergens: Gent, in de buurt van De Krook, Vooruit, VOKA en de brug onder de Lammerstraat.
‘The past is a foreign country; they do things differently there.’ Dit citaat uit The Go-Between van Leslie Poles (L.P.) Heartley werd vriendelijk onder mijn aandacht gebracht door columnist Rik Van Cauwelaert, die het gebruikte om de hedendaagse politieke mores te duiden.
Ik moest eraan denken toen ik, voorovergebogen over mijn stuur, tegen de wind, de dag na storm Ciara, even stopte om de Vlaamsekaai te fotograferen. De Vlaamsekaai heet zo omdat er nog heel wat huizen staan in die mooie Vlaamse eclectische neo-renaissancestijl, opgetrokken in een tijdperk toen men nog heimwee had naar dat vreemde land, het mooie verleden van Vlaanderen die scone. Een groot deel van die Vlaamsekaai moest in de jaren 70 en 80 wijken voor de moderne tijd, de tijd van Amelincks en andere bouwpromotoren. In één van deze bouwdozen heeft mijn tandarts zijn praktijk. Eigenlijk is de Vlaamse Kaai gewoon een stuk van de stadsring, de R40. Kijk goed, rechts ervan ligt de lage-emissiezone, waaruit mijn oude diesel verbannen is; links ervan mag alles (voorlopig) nog.
In het verleden deden ze dingen anders. Ik heb heimwee naar de tijd dat men heimwee had naar de schoonheid uit het verleden, en dat wat men toen deed in het heden, afgemeten werd aan wat onze voorouders presteerden.
EENS: 11 februari 2020, 7.27 uur ERGENS: Vlaamse Kaai, Gent
Aan mij zal er geen groot culinair recensent verloren zijn gegaan. Ik heb een collega (vandaag is hij trouwens jarig – gefeliciteerd P.!) die regelmatig op restaurant gaat, en ons steeds deed mee watertanden. Ikzelf vind de woorden niet om een gerecht deftig te omschrijven. Dus begin ik er niet aan. Maar voor een kleine ontdekking deze week doe ik graag een poging daartoe. Vooral omdat we kennis maakten met enthousiaste jonge mensen die het aandurven om te ondernemen.
Na het lezen van een stukje in Sabato, trokken we naar een restaurant niet ver van de Gentse stadsgevangenis. Toen we er voorbij kwamen (de gevangenis), was het net bezoekuur. Onze auto mag de stad niet meer in, dus parkeerden we een eind weg, met het voordeel dat je een goede wandeling vóór en na de maaltijd maakt.
Het eten was lekker, origineel, fris, en redelijk geprijsd. Het begon een beetje problematisch: aardpeer gegaard op houtskool, met een lekkere crème erbovenop, maar de zwartgeblakerde onderkant was ons ding niet. Daarna kwam één (1) sublieme oester, met een (ijskoude) granité van raap en mierikswortel. Dan iets wat ik verstond als kuton. Aangezien Rizoom wat Japanse dingen serveert, moest dat wel oosters zijn, en ik vroeg wat kuton was. Er werd mij heel beleefd uitgelegd dat het koetong was, de tong van een rund, dus. Enfin, niet zomaar koetong met champignons en madeirasaus, maar een emulsie van koetong, scheermes en rode biet. Het hoofdgerecht was een bavetje (bavette, van de flank van het rund), perfect gegaard of geroosterd, en ik lees dat er enoki en saké aan te pas kwam, alsook een lekkere hartige pannenkoek met pijpuitjes (om stukken af te breken) en palmkool gegaard op de barbecue. Pas toen we aan het toetje toe waren, dacht ik eraan om een foto te maken: een crumble van brownie met iets waar karnemelk, bergamot en noten aan te pas kwamen. Lekker fris zoetzuur.
Je merkt het, ik zal nooit Bruno Vanspauwen of Jan Scheidtweiler opvolgen, maar als iets lekker was, dan zeg ik het ook. Er is nog wat werk aan de inrichting bij Rizoom, er zijn werken gepland, we kijken uit naar een goede koffiemachine, maar verder: een aanrader, ginder in de Nieuwe Wandeling.
EENS: 22 januari 2020 ERGENS: Restaurant Rizoom, Nieuwe Wandeling, Gent
Het gebeurt – en dat overkwam me vroeger nooit – dat ik wel eens nadenk aan de eindigheid van mijn aardse bestaan. Het moet te maken hebben met het zestig-gevoel, denk ik, three score, en iedereen weet wat er dan komt, three score and then, amen, dan vliegen we weg.
Score betekent twintig, en wie kan rekenen, komt dan uit op zeventig. Het getal komt voor in Psalm 90:
The days of our years are threescore years and ten; and if by reason of strength they be fourscore years, yet is their strength labor and sorrow; for it is soon cut off, and we fly away.
Ook Shakespeare beschreef die 3×20+10 als een héél lange tijd. In de spookachtige nacht van de moord op King Duncan beschrijft een oude man deze ‘sore night’. Hij heeft in zijn lange leven al veel meegemaakt, maar dat alles verzinkt in het niets bij deze dag die zo zwart is als de nacht.
Threescore and ten I can remember well: Within the volume of which time I have seen Hours dreadful and things strange; but this sore night Hath trifled former knowings.
(Macbeth Act 2 Scene 4)
Maar goed, het is bij mij nog gewoon zestig, nog geen zeventig; alles op zijn tijd. Ik dacht aan de eindigheid, en de vergetelheid, toen ik mijn foto’s van het afgelopen jaar digitaal archiveerde. De geniale Vivian Maier, the nanny photographer, nam heel haar leven foto’s (meer dan 150.000, zo schijnt het) en verschillende dozen vol filmrolletjes werden na haar dood geveild. Ik ben natuurlijk geen Vivian Maier, maar van mij zal men enkel nog wat ontwikkelde negatieven vinden van de jaren 80 en 90. Nadien is mijn foto-nalatenschap verspreid over enkele harde schijven, en de kans is groot dat niemand ze ooit vindt. (Tip: Seagate Back Up Plus Drive.) Hopelijk vindt men dan toch nog, als ik allang weggevlogen ben, de weg terug naar deze fotoblog!
Hierboven mijn laatste foto van 2019, op weg naar het wat rommelige vuurwerk in mijn stad. De foto toont Gent zoals ik het mij herinner uit mijn tienerjaren: een wat ingedommelde provinciestad. Kort daarna zou ik een nieuwjaarswens krijgen van de weduwe van een recent overleden collega, met daarin een vergelijkbare foto van de Graslei, ongeveer genomen vanuit hetzelfde standpunt. Het was één van de laatste foto’s van deze betreurde vriend.
’t Is altijd iets met vrouwen, moet men 130 jaar geleden gedacht hebben. Nu is er zelfs eentje die advocaat wil worden!
Marie Popelin (1846-1913) studeerde Rechten aan de Université Libre de Bruxelles, en ze werd zelfs de eerste vrouwelijke doctor in de Rechten. In 1888 vroeg ze toegang tot het beroep van advocaat aan de balie van Brussel, maar dat was andere koek. Het Hof van Beroep te Brussel oordeelde als volgt:
“(…) Attendu que la nature particulière de la femme, la faiblesse relative de sa constitution, la réserve inhérente à son sexe, la protection qui lui est nécessaire, sa mission spéciale dans l’humanité, les exigences et les sujétions de la maternité, l’éducation qu’elle doit à ses enfants, la direction du ménage et du foyer domestique confiée à ses soins la placent dans des conditions peu conciliables avec les devoirs de la profession d’avocat et ne lui donnent ni les loisirs, ni la force, ni les aptitudes nécessaires aux luttes et aux fatigues du barreau ; (…).
Kortom, vrouwen aan de balie… niet geschikt voor deze harde stiel, gezien de relatieve zwakte van hun constitutie. Ze hebben er trouwens geen tijd voor, met dat huishouden en de kinderen. We moeten onze vrouwen beschermen, als het moet, tegen zichzelf!
Kortom, ’t altijd iets met vrouwen. Nu zijn er zelfs die ‘Meer vrouw op straat’ willen zien. Zoals StuBrusselaar Sofie Lemaire. Van alle straten die de naam van een persoon kregen, zijn er maar 15 procent vernoemd naar een vrouw. Toen ik Sofie Lemaire op TV bezig hoorde, wou ik roepen: ‘En de Virginie Lovelingstraat dan?’. Verder dan dat ene voorbeeld kwam ik niet. Tot ik op een fietstochtje Marie Popelin tegenkwam. Gent heeft haar alvast een plaatsje gegeven in het straatbeeld. Niet met een straat, maar met een heuse kaai, in Ledeberg.
Vanaf nu groet ik haar beleefd, als ik er langs fiets. Met advocaten moet je altijd oppassen.