Penny Lane

Wat fysiek verdwijnt – zoals het huisje van de grootouders dat afgebroken is en plaats maakte voor moderne appartementen – moet een plaatsje bemachtigen in je herinneringen, en dat kan lastig zijn. Het is verbazend dat de plek pek tussen twee betonplaten in de straat waar ik als kind speelde, er nog altijd ligt. ’s Zomers – in mijn herinnering was het in mijn kindertijd altijd zomer – werd dit stukje teer warm en visceus, en ik porde er vaak in met mijn vingers.

Deze week kwam ik er nog eens langs. Zoals de schaduwen tonen, was het ’s ochtends, de zon verwarmde nog maar een beetje de zwarte pek. Nu, een kleine zestig jaar later, duw ik er weer even in, met één vinger. Het voelde lang nog niet zo elastisch als toen.

Op deze plek kwam ik bij de grote jongens staan, ze praatten over de muziek van die tijd. Ik hoor ze nog zeggen ‘Is het nu Boudewijn de Groot of Boudewijn de Groote’? (Eén van hen zou later naar de universiteit gaan, die luisterde dus naar Boudewijn de Groot, toen ook nog keinkunst genoemd.)

En dan vroegen ze aan die snotneus naar welke muziek hij wel luisterde. Ik had mijn antwoord klaar: Penny Lane! Dat liedje kwam uit in february 1967, ik moet dan zeven of acht jaar geweest zijn.

Sindsdien noem ik deze straat, waar ik nu geen kinderen meer zie spelen, Penny Lane. En inderdaad, om de hoek woonde mijn kapper, maar ik denk niet dat hij ook scheerde. Je zag er ook geen bankiers of brandweermannen.

Sindsdien noem ik die straat Penny Lane.

Eens: 16 mei 2026
Ergens: Walbosstraat, Destelbergen